hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Natuurgodsdienst of natuuratheisme

27 juni 2008


M

ensen die het pottenbakken niet kennen, kunnen zich geen Adam gemaakt uit klei voorstellen. Als je geen machtige koningen hebt kan je niet weten wat een missionaris bedoelt met een opperwezen. Mensen die geen machtige, alles omvattende bureacratie kennen, kunnen zich geen allesziende en alles overheersende oppermacht indenken.

Europa was er lange tijd van overtuigd dat primitieve samenlevingen geen goden hadden. Zo schreef Columbus aan de Spaanse koningen:

de mensen hier lijken erg intelligent en we zouden er goede dienaren en christenen van kunnen maken, want ze blijken geen godsdienst te hebben.
Nog in de negentiende eeuw schreef Darwin:
er is bewijs in overvloed, indien we niet naar haastige reizigers luisteren maar naar hen die lang tussen wilden verbleven, dat er vele rassen bestaan hebben en nog steeds bestaan, die geen enkel besef hebben van één of meer goden, en die geen woorden hebben in hun taal om zulk idee uit te drukken.

Bij landbouwende stammen trof men voorouder-verering aan. In stadculturen waren de machtigste van deze voorouders uitgegroeid tot goden: sociale ongelijkheid had zich op bijna natuurlijke wijze voortgeplant van de mensenwereld naar de wereld van geesten en demonen. 'Goddelijkheid' was echter nog steeds een kwestie van rang en stand. Specifieke eigenschappen van goden zijn naderhand uitgewerkt door de klerken van beschavingen.

Aan de andere kant kenden jagers-verzamelaars en vroege landbouwgemeenschappen enkel natuurlijke wezens. Om hun wereld te duiden vergeleken ze natuur-verschijnselen met de lotgevallen van de meest intrigerende dieren. Deze filosofie, het animisme, is ontstaan en gegroeid samen met homo sapiens. Onze voorouders hebben leren denken toen ze animisten werden. Gedurende lange tijd was dit het enige, maar alom aanwezige, wereldbeeld. Dankzij dit verleden kunnen we vandaag fysische krachten benoemen en berekenen.

Animistische scheppingsverhalen, bijvoorbeeld, laten de schepping over aan en haas (Algonkin), leguanen (Australië), een aap (Tibet) etc... Dikwijls hebben stadculturen deze legendes gerecycleerd, en men ziet dan dat een voorouder of god even in een dier verandert om diens scheppingskracht te lenen: Vishnu wordt een everzwijn, Chinese prinsen maar ook Zeus worden slangen etc...

Christelijke priesters en predikanten waren allesbehalve gelukkig met verhalen over een feitelijk 'natuur-atheisme'. De bijbel zegt dat de eerste natuurmens met god sprak, en dus moesten de wilden zich toch nog íets herinneren.

De Jezuiet Joseph Lafiteau zette als eerste een aanval in tegen de wetenschappelijke bevindingen, aan het begin van de achttiende eeuw. Lafiteau leidde een missie in Nouvelle-France die bijna één miljoen vruchtbare ares van de Indianen had gestolen, en flink geld verdiende met de bonthandel. Hij schreef geschokt te zijn hoe barbaren altijd weer als goddeloos werden voorgesteld. Een van de sterkste bewijzen voor de noodzaak van religie, schreef hij, is dat een Hoger Wezen door alle volkeren erkend wordt.

Lafiteau kreeg weerwoord van Thomas Jefferson, wiens ouders altijd in goede verstandhouding mat de Indianen hadden geleefd en regelmatig opperhoofden te gast hadden. Jefferson verweet Lafiteau gegevens te vervalsen zoals het hem uitkwam. Lafiteau, schreef Jefferson, was een man die veel klassieke literatuur heeft gelezen, maar ondanks het feit dat hij vijf jaar onder de Noordelijke Indianen heeft verbleven als missionaris, gebruikt hij gegevens van anderen liever dan zijn eigen observaties. Een andere tegenstander was de beroemde antropoloog Edward Tylor, die opmerkte dat Lafiteau de hele klasse van geesten en demonen, gekend bij de Cariben als cemi, bij de Algonkin als manitou, bij de Huron als oki, nu met hoofdletters schrijft en verandert in een Hoger Wezen.

In 1912 publiceerde de katholieke antropoloog Pater Wilhelm Schmidt een twaalfdelig academisch werk waarin de ideeën van Lafiteau verdedigd en uitgewerkt werden. In godsdienstige middens staat deze turf nog steeds in onverminderd aanzien. In het werk wordt 'wetenschappelijk' aangetoond hoe alle gedegenereerde wilden nog steeds een vaag begrip hebben van de 'hochgott' die hen geschapen heeft. Zijn leer is bekend geworden als 'urmonotheism'.

Vijftig jaar na Lafiteau bezocht Georg Steller de Siberische stam van de Itelmen. Hij vond hun mythologie scabreus en bestempelde hen als gedegradeerde geboren godslasteraars, maar twijfelt er toch niet aan dat ze een hochgott kennen. Ook Kaang van de Khoi-san, een schelm die aanhoudend vrouwen lastig valt in allerlei pikante verhalen, werd bij gebrek aan beter tot hochgott gepromoveerd.

Dikwijls werd, wanneer geen inheems woord voor 'god' gevonden werd, het woord voor 'hemel' zo vertaald. Daarna was het 'urmonitheism' makkelijk aan te tonen. Zo werd bijvoorbeeld Kwoth van de Afrikaanse Nuer en Tupan van de Zuid-Amerikaanse Guarani een hochgott.

De Mende van Sierra Leone werden ondervraagd door katholieke missonarissen die trachtten aan te tonen dat Ngewowa hun hochgott was. De verveelde Mende vertelden hen zonder knipperen dat Ngewowa alomtegenwoordig was, en dat hij aanhoudend werd lastig gevallen door lastige blanke geesten met baarden die iedereen wilden commanderen. Uiteraard werd het antwoord met zorg opgetekend.

Ook Sir Peter Buck, zoon van een Maori moeder en één van de leidinggevende kenners van Polynesië, uitte zijn verontwaardiging over zulke vervalsingen. De ontdekking van een opperwezen genaamd Lo in Nieuw Zeeland, schrijft hij, was een verrassing voor zowel de Maori's als de Pakeha's. Dank zij zijn direkte kennis kon hij makkelijk aantonen dat de hochgott enkele jaren eerder door christelijke missionarissen was ingevoerd.

De Nederlander Paul Julien doorkruiste Centraal Afrika in het begin van de twintigste eeuw om schedels en neuzen van afgelegen stammen op te meten. Later schakelde hij over op het testen van bloedgroepen. Maar de hele tijd had hij nog een ander doel: zijn meest precieuze uren met de inboorlingen zijn die waarin hij sporen van de hochgott ontwaarde. Na lange en vermoeiende ondervragingen rond het kampvuur van de Bakah Pygmeeën, schrijft hij, valt de schuchterheid van zijn vrienden weg en beginnen ze iets te lossen over hun opperwezen. Het was alsof iets van de onbegrensde grootheid van het heelal afstraalde op deze eenvoudige bruine zielen. Maar de Bakah waren reeds in kontakt geweest met missionarissen en hadden zelfs van de hel gehoord. Dikwijls werd er hevig gediskussieerd tussen de Bakah en de tolk alvorens de Franse vertaling werd gegeven. De tolk wist wat Julien wilde horen, en de Bakah bedelden constant om tabak, waarvan hij tweehonderd kilo meenam op elke tocht. Als algemene regel zou men kunnen stellen dat de 'eenvoudige ziel' diegene is die zonder tabak achterblijft.

De jacht op de hochgott bleef niet beperkt tot primitieve samenlevingen. In 1839 CE noemde Jacques Champollion-Figeac zonder enige gène de Egyptische godsdienst een 'puur monotheisme' dat zich uitte in symbolisch polytheisme. In 1860 CE beaamde Emmanuel de Rougé dat het geloof in één hogere, eeuwige, almachtige god en schepper het sublieme kenmerk van de Egyptische godsdienst was.




Tags: Religie, atheisme, natuurgodsdienst

Zie ook het archief