hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Enkele voorbeelden uit de evolutiepsychologie

24 juni 2009


V

olgende voorbeelden van zogenaamde "verklaringen" staan beschreven in Animal Behavior (1998) van de sociobioloog John Alcock. Het eerste geval gaat over apen, de andere (uit het laatste hoofdstuk van Alcock) over mensen.

Kinderdoding

.

hanuman langursIndische hanuman languren leven in groepen gedomineerd door één mannetje. Volgens Sarah Blaffer Hrdy doden mannetjes, wanneer ze een groep vrouwtjes overnemen, de pasgeboren nakomelingen van het vorige mannetje, om zo de eigen genen meer kansen te geven.

Bezwaar: Deze sociobiologische mythe werd diepgaand weerlegd door R. W. Sussman en collega's. Ondanks de dramatische foto's van achter elkaar hollende languren werden slechts 21 sterfgevallen van pasgeboren vastgesteld (en 27 bij andere primaten.) De meeste gevallen hielden geen verband met agressie van nieuwe mannetjes. Dikwijls ging het om ongelukken, of hield de pasgeborene zich vast aan een vrouwtje dat in een schermutseling terecht was gekomen. Sussman en collega's wijzen de sociobiologische verklaring van de hand, terwijl Hrdy en collega's voet bij stuk houden. De studie van Sussman wordt niet vermeld door Alcock. Ze wordt vermeld in “The Human Species” van John H. Relethford, die verwijst naar het tijdschrift Evolutionary Anthropology.

Adoptie

Kinderen worden dikwijls geadopteerd door vreemden, die hen met evenveel of meer zorgen omringen dan wanneer het dragers van hun eigen genen zouden zijn. Op het eerste zicht pech voor sociobiologen, maar een onderzoek van Joan Silk in Oceanië toonde aan dat de geadopteerde kinderen dikwijls nauwe familie waren en dus best wat van de eigen genen konden dragen. Wanneer de geadopteerde kinderen geen familie waren, moesten ze werken in dienst van die familie, zodat ze toch in zekere zin haar genen verder hielpen verspreiden. En wanneer de geadopteerde kinderen geen familie waren en ook niet voor de familie moesten werken, dan was adoptie ongetwijfeld een zij-effect van het erfelijk “motivationeel systeem” [vroeger gewoon “instinkt”] om je eigen genen te koesteren in je kinderen.

Bezwaar: dit zijn duidelijk "just-so stories". Als je persé ergens wil uitkomen, is er altijd wel een uitleg te verzinnen.

Welstand

Sociobiologen menen dat vrouwen bij voorkeur huwen met welgestelde mannen omdat ze zo meer genetisch sukses verwachten, anders gezegd, meer kinderen op de wereld zullen zetten. Het schijnt dat in het vijftiende eeuwse Portugal vrouwen die met welgestelde mannen huwden meer kinderen hadden. Vandaag is dat niet meer het geval. Dat komt omdat we in de tijd van de anti-conceptie leven [het lijkt me onjuist aan te nemen dat anti-conceptie enkel iets uit de moderne tijd is.] Perusse heeft daarop het NPC in het leven geroepen: het Number of Potential Conceptions, ttz. het denkbeeldig aantal kinderen als er geen anti-conceptie zou bestaan.

Bezwaar: als je de NPC van welgestelde dames berekent kom je al vlug aan een indrukwekkende verspreiding van genen - zij het enkel in de papieren wereld van steriele theorieën.

Verkrachting

Sociobiologen hebben ook getracht verkrachting te begrijpen als een strategie om genen te verspreiden. Men haast zich daarbij te vermelden dat men verkrachting niet wil goedpraten, wat “goedpraten” uit strict sociobiologisch oogpunt ook mag betekenen. Een veelbesproken theorie (opgesteld door het echtpaar Thornhill) zegt dat sexuele selectie dié mannen heeft bevoordeeld, die de bekwaamheid bezaten onder bepaalde omstandigheden tot verkrachting over te gaan. Met name mannen die geen vrouw kunnen aantrekken, zouden een vrouw kunnen aanranden als dat het laatste redmiddel was om hun genen te verspreiden. Een beetje triomfantelijk wordt gemeld dat mannetjes van schorpioenvliegen het ook doen, wanneer ze geen giften meer vinden om een vrouwtje tot paring te bewegen.

Bezwaar: Alcock schrijft dat vooral arme jonge vrouwen verkracht worden. Dat is misschien waar in Amerikaanse ghetto's met veel armen en jongeren. Bij ons hoeft men de krant er slechts op na te slaan om te zien dat zowat de helft van de slachtoffers te jong of te oud is om zwanger te zijn. Bovendien blijkt dat heel wat verkrachters een sexuele partner hebben, en zelfs huisvaders zijn die hun slachtoffers vinden onder het eigen dak. Als het allemaal slechts om de verspreiding van de eigen genen draait, en niet om zelfzucht, machtsmisbruik en vernedering, zou een verkrachter dan niet veeleer naar een spermabank trekken?

Bloed geven

Sociobiologen geloven niet in pure onbaatzuchtigheid, en hebben dus ook voor bloeddonoren gezocht naar verklaringen door middel van genetische selectie. Richard Alexander kwam tot het besluit dat de kleine kost aan bloedafname ruimschoots vergoed wordt door het stijgend prestige van de donor. In de prehistorie leefden mensen in kleine groepen waarin het voortbestaan van de eigen genen afhing van waardering door de anderen, en dat maakte prestige dus belangrijk. Donoren zullen, vervolgt hij, “haast altijd” aan anderen laten weten dat ze bloed hebben afgestaan. Onderzoek heeft inderdaad aangetoond dat wie een donorenspeldje krijgt “opvallend meer” geneigd is bloed te geven.

Bezwaar: ondanks het vage woordgebruik is “opvallend meer” toch wel minder is dan het voorspelde “haast altijd”. Een andere verwachting gewekt door deze theorie is dat mensen liever zouden samenwerken met mensen die bereid zijn bloed te geven. Een onderzoeksresultaat wordt echter niet vermeld, en ik denk dat maar weinig werknemers die overweging ooit gemaakt hebben.

Kritiek

Richard Dawkins, die door sommigen als sociobioloog beschouwd wordt, schreef in het hoofdstuk over memen in The Selfish Gene:

ik geloof dat we weer helemaal opnieuw moeten beginnen en terug moeten gaan tot de grondbeginselen. Het argument waarmee ik voor de dag kom lijkt misschien verrassend uit de mond van de schrijver van de vorige hoofdstukken. Het komt erop neer dat wij om een begrip te krijgen van de evolutie van de moderne mens, moeten beginnen met het gen overboord te gooien als enige basis voor onze ideeën over evolutie. Ik ben een enthousiast darwinist, maar ik geloof dat het darwinisme een te grootse theorie is om te kunnen worden beperkt tot het enge begrip gen.

In een voetnoot in The God Delusion schreef Dawkins geschokt te zijn toen in The Guardian las dat The Selfish Gene het favoriete boek was van Jeff Skilling, de CEO van de verfoelijke ENRON Corporation, en dat hij er sociaal-darwinistische inspiratie uit haalde.

Gould heeft de vraag gesteld waarom de sociobiologie geen plaats aan de menselijke rede toekent. Als bij Eskimo's ouderlingen achterblijven om te sterven als de honger toeslaat, is hun beloning slechts dat ze na hun dood als helden herinnerd en bezongen zullen worden. Eenmaal men rekening houdt met het denken als menselijke eigenschap - en het is, samen met de vrije wil, de menselijke eigenschap bij uitstek, zegt Gould - kan makkelijk aangetoond worden dat het in werkelijkheid de rede is die al het werk doet, wanneer sociobiologen weer eens nieuwe menselijke spookgenen opvoeren.

Marvin Harris wees erop dat zelfs wespen zich niet enkel naar hun genen gedragen, maar ook individuele ervaringen verwerken. Nieuw geleerd gedrag wordt bewaard en verspreid omdat het meer overlevingskansen biedt, en kan door selectie opgenomen worden in de erfelijke kenmerken. Dieren met een nog complexer zenuwstelsel hebben culturen of tradities. Hierdoor kan iets wat door één individu geleerd wordt, overgedragen worden op de hele groep. Tradities kunnen veranderen zonder enig verband met de genen. De verspreiding van de fonograaf bijvoorbeeld vereiste geen genetische aanpassingen, maar dit geldt ook voor hazepaden, eet- en jachtgewoonten van allerhande dieren, dialecten van vogels etc.... Elk pasgeboren mensenkind, tenslotte, kan zonder speciale problemen opgroeien in om het even welke van de meer dan duizend verschillende culturen die het mensdom rijk is. Dit toont voldoende aan dat de menselijke cultuur niet bepaald is door overerving van genen.

Lewontin stelt (in The DNA Doctrine) dat sociobiologie de laatste en meest gemystifieerde poging is om mensen te overtuigen dat ons leven ongeveer is zoals het hoort en zou moeten zijn. Dit gebeurt in enkele stappen:

  1. De eerste stap is een poging om de menselijke natuur te beschrijven. Daartoe gaat men op zoek naar cultureel gedrag in een plaatselijke cultuur dat in het eigen plaatje past.
  2. De tweede stap is de bewering dat zulk plaatselijk gedrag menselijke universele eigenschappen zijn, die vastliggen in onze genen. Er zijn genen voor godsdienstigheid, voor ondernemerschap, en voor om het even welke eigenschap die men wil in de menselijke psyche of in de samenleving: oorlog, genocide, vreemdelingenhaat, mannetjes die vrouwtjes domineren.
  3. Deze twee beweringen – dat er een universele menselijke natuur is, en dat die onveranderlijk vastligt in de genen – zouden volstaan als een puur beschrijvende wetenschap. Maar de sociobiologie gaat nog één stap verder om haar doel te bereiken. Deze derde stap is dat bij de "universele" menselijke natuur een bepaald "universeel" type samenleving hoort. Op deze wijze wordt het menselijke bestaan voor altijd vastgelegd. Tenslotte, als er drie miljoen jaar nodig waren om ons te maken wat we zijn, hoe kunnen we dan ooit geloven dat we ons gedrag kunnen veranderen binnen enkele eeuwen?

In werkelijkheid kijken sociobiologen (of evolutiepsychologen) enkel naar hun eigen kapitalistische samenleving, en naar steentijdculturen in Guinea. Ze zijn opvallend onwetend over andere culturen en zelfs over de geschiedenis van Europa. Hoe, vraagt Lewontin zich af, valt universele xenofobie te rijmen met een 19e eeuwse Russische aristocratie die liefst Frans sprak en het eigen volk minachtte, hoe valt universele competitie te rijmen met complexe samenwerkingsverbanden of met de Franse economie on de dertiende eeuw?

De fundamentele en onweerlegbare kritiek is echter dat sociobiologen en evolutiepsychologen de eigenschappen en beperkingen van individuen dooreenhalen met de eigenschappen en beperkingen van hun samenleving. Denken dat eigenschappen van een groep beperkt zijn tot de eigenschappen van zijn leden is een politieke misvatting.

Maatschappelijke organisatie is net het overwinnen van individuele beperkingen

Geen menselijk individu kan vliegen door met armen en benen te slaan. Dat is een duidelijke genetische beperking. Evenmin kan een grote groep mensen vliegen door mooi in de pas met armen en benen te slaan. Toch vliegen mensen, dank zij gemeenschappelijke aktie. Luchthavens en vliegtuigen zijn geproduceerd door onderwijsinstellingen, wetenschappelijke ontdekkingen, financiele organisatie, de productie van brandstof, metallurgie, opleiding van piloten, allemaal gemeenschappelijke verwezenlijkingen die samengebracht zijn om het mogelijk te maken voor ons, individuen, om te vliegen. Het is belangrijk te beseffen dat vliegen wel een maatschappelijke verwezenlijking is, maar dat de maatschappij zelf niet kan vliegen. Individuen vliegen, maar ze vliegen dank zij maatschappelijke organisatie.




Tags: maatschappij, Wetenschap, sociobiologie, evolutiepsychologie




Zie ook het archief






[an error occurred while processing this directive]