hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Steven Pinker

04 juli 2009


L

ouis Menand besprak in The New Yorker een boek van de evolutiepsycholoog Steven Pinker: “The Blank Slate: The Modern Denial of Human Nature.” Hier enkele goedgemikte citaten uit de boekbespreking (mijn vertaling.)

De vraag is hoeveel van ons leven hier, in de eenentwintigste eeuw, door biologie verklaard kan worden.

Pinker meent dat dat veel meer is dan sommige mensen - hij noemt ze “intellectuelen” - denken dat het geval is, en dat de onbekwaamheid, of de weigering dat te aanvaarden, tot veel kwalijke gevolgen heeft geleid, inbegrepen de Franse Revolutie, moderne architectuur en de misdaden van Jozef Stalin.

Intellectuelen ontkennen biologie, aldus Pinker, omdat het hun lievelingstheorieën over het denken en gedrag verstoort. Dit zijn de Schone Lei (het geloof dat de geest volledig gevormd wordt door de omgeving), de Edele Wilde (de notie dat mensen goed geboren worden maar door de samenleving verknoeid worden) en de Geest in de Machine (de idee dat er een niet-biologisch wezen in ons hoofd zit dat onze natuur naar believen te wijzigen). De “intellectuelen” in het boek van Pinker zijn sociale wetenschappers, progressieve opvoeders, radikale feministen, academische Marxisten, liberale communisten, avant-garde kunstenaarstypes, overheidsplanners, en post-moderne relativisten.

De goeien zijn de cognitieve wetenschappers en gewone mensen, wiens gezond verstand, behalve als het beschadigd werd door te veel naar intellectuelen te luisteren, in het algemeen overeenkomt met wat de cognitieve wetenschap ontdekt heeft. Ik wou dat ik kon zeggen dat de denkbeelden van Pinker genuanceerder zijn. Veel pagina's van “The Blank Slate” zijn gewijd aan het afkraken van de Lockeaanse-Rousseauaanse-Cartesiaanse vogelschrik die Pinker heeft geschapen. Wat de nieuwe wetenschappen aantonen, zegt hij, is dat, in tegenstelling tot “het romanticisme van de intellectuelen,” opvoeding niet opgewassen is tegen onze natuur. Rehabilitatie slaagt er dikwijls niet in gewelddadige criminelen te genezen; identieke tweelingen die afzonderlijk zijn opgevoed vertonen buitengewone overeenkomsten; het lezen van bedverhaaltjes heeft weinig effect op de IQ. Zulke ontdekkingen wekken de indruk dat er grenzen zijn aan wat we kunnen verwachten van inspanningen om mensen gelukkiger, slimmer, en betere burgers te maken door hun omgeving te manipuleren. Als revolutionairen de samenleving hermaken van de grond af, met de theorie dat een nieuwe mensensoort zal verrijzen, of als feministen beweren dat als jongetjes met poppen en theekopjes zouden spelen de wereld een vrediger plaats zou zijn, zijn ze, volgens Pinker, eireren aan het breken zonder hoop op een omelet. Ze zijn alleen maar gefrustreerde drang en instincten, die vroeg of laat een uitweg zullen vinden. De menselijke natuur kan je niet straffeloos bedotten.

Maar waar brengt ons dat alles? Er zijn tenslotte grenzen aan de idee van grenzen. We manipuleren de omgeving onophoudelijk om onze houding en gedrag vorm te geven. We gebruiken politie om mensen aan te sporen verkeersborden en sluikstortregels te gehoorzamen; we vragen aan jongeren om naar school te gaan; we voorzien airco en koffiemachines op werkplaatsen. De omgeving van gelijken onderdrukt het toegeven aan sexuele drift. Happy hours worden gebruikt om stoom af te laten. Religieuze diensten sporen mensen aan tot liefdadigheid. Het grootste gedeelte van ons leven speelt zich af in een omgeving van door de mens gemaakte aanmoedigingen en remmingen, beloningen en vrees. Heel wat neigingen worden gekanaliseerd of onderdrukt, en veel talenten en gevoelens worden aangeleerd zonder genetische basis of evolutionaire logica.

Menand klaagt ook aan dat de evolutietheorie ook door Pinker wordt gebruikt als verontschuldiging:

In 1859 maakte Charles Darwin zijn conclusie bekend dat alle levensvormen het resultaat zijn van natuurlijke, toevallige en blinde processen. Er was, meende hij, geen “betekenis” in evolutie.

Evolutie is een bijproduct van het feit dat organismen met elkaar moeten wedijveren om te overleven. Zonder deze strijd, indien niet sommige individuen moesten sterven om anderen te laten leven, zou er geen ontwikkeling zijn geweest

.

Tot zover reikt evolutie. Dit besef maakte naar het schijnt Darwin letterlijk ziek. Maar, vanaf “The Origin of Species” en “The Descent of Man” (1871), hebben mensen Darwin's theorie gebruikt om te verklaren waarom deze of die manier om de menselijke zaken te beheren “natuurlijk” zou zijn. De gedachte is dat een bepaalde orde “geselecteerd” was – alsof de strijd tussen individuen en groepen en ideeën de wijze was waarop de natuur zich ervan verzekerde dat het beste zou overblijven. Bijgevolg is evolutionaire psychologie een filosofie van winners: ze kan gebruikt worden om om het even welke uitkomst te rechtvaardigen. Zo wist Pinker zichzelf te overtuigen dat de liberale democratie en de huidige opvatting over vrouwelijke sexuale autonomie steunen op biologische feiten. Het is een “wetenschappelijke” opwaardering van de manier waarop we leven. Maar elk aspect van het leven heeft een biologische achtergrond in exact dezelfde betekenis, namelijk dat als het niet biologisch mogelijk was geweest, het niet zou bestaan. Voor de rest is het een grabbelton.

Een andere aanklacht geldt de minachting van de menselijke persoonlijkheid:

Maar wat is persoonlijkheid? Het antwoord blijkt erg specifiek te zijn. De nieuwe menswetenschappen hebben ontdekt dat er exact vijf dimensies zijn: mensen zijn, in verschillenden graden, ofwel nieuwsgierig of onverschillig, bewust of ongericht, extrovert of introvert, aangenaam of vijandig, en neurotisch of stabiel. (dit staat bekend als het Five-Factor Model, of FFM. De vijf dimenties worden aangeduid met de afkorting OCEAN [:Open-Conscientious-Extrovert-Agreeable-Neurotic].) Alle attributen zijn gedeeltelijk erfelijk, en worden door gedragsgenetici beschouwd als kenmerken van pensoonlijkheid. Er lijkt geen nood te bestaan aan meer nauwkeurigheid, want OCEAN geeft alles weer. “De meeste van de 18.000 adjectieven voor persoonlijkheid die je in een woordenboek vindt kunnen teruggevoerd worden naar een van deze vijf dimensies” zegt Pinker.

Als Pinker en Harris zeggen dat ouders geen invloed hebben op de persoonlijkheid van hun kinderen, bedoelen ze dus dat ouders een vervelend kind niet kunnen opvoeden tot een serene volwassene. Het is niet relevant voor hen dat ouders kinderen kunnen opvoeden tot operazangers, water-skiers, fijnproevers, tweetaligen, schilders, trompetspelers en kerkgangers; dat ouders hun kinderen kunnen invoeren in de hele supra-biologische wereld – om de fundamentele reden dat wetenschap niet kan vatten wat het niet kan meten.

Wetenschap kan angst meten. Dat is niet enkel doordat mensen zelf zeggen in onderzoeken of ze wel of geen angst voelen; het is ook doordat een genetische basis voor angst werd geidentificeerd. Mensen met een kortere versie van een deel van het DNA dat het serotonin-transporter gen op chromosoom 17 blokkeert lopen meer kans angstig te zijn. Dat chronische angst biologisch is - ze wordt niet enkel door omstandigheden veroorzaakt - wordt aangetoond door het feit dat ze kan verlicht worden door middel van een anti-depressivum, een selectieve serotinine inhibitor. (telt medicatie feiltelijk als cultuur of als natuur?)

Maar dat is slechts de biologie. Psychologie is alles wat het organisme doet om de biologie het hoofd te bieden. Aangeboren angstige mensen ontwikkelen allerlei strategieën om hun angst meester te blijven, de verbergen, te vermijden, te onderdrukken, en soms hun neiging naar nervositeit uit te buiten. Deze strategieën zijn verworven - mensen worden er niet mee geboren – en ze zijn gemaakt van elementen die door de omgeving worden aangeboden. Het denken werkt enkel met wat het kent, en een van de dingen die het kent zijn ouders, die dikwijls belangrijke spelers worden in het psychisch drama van angst beheersing. Het naakte feit “het gen voor angst” te bezitten bepaalt niets, wat de reden is waarom sommige angstige mensen het tot operazangers brengen, andere tot water-skiers, en anderen gewoon voor een raam zitten staren, tobbend over het feit dat hun ouders hen niet genoeg verhaaltjes voor het slapengaan vertelden. Deze mensen zullen er waarschijnlijk weinig troost in vinden dat de cognitieve wetenschap heeft ontdekt dat verhaaltjes voor het slapengaan overschat worden.

En Menand besluit:

Zo is het met de meeste dingen waar we om geven - voedsel, vrienden, ontspanning, kunst. Biologie keert zich naar het gemiddelde; beschaving doet dat niet. Het verstand is een verzinner. Het is ontworpen (door natuurlijke selectie als je wil) om gedachten en ervaringen te dromen weg van het gewone. Haar belangrijkste instinkt is tegen instinkten in te gaan; anders konden we al op vroege leeftijd ons bewustzijn laten inslapen. Het verstand kent geen rusttoestand; het is (zoals Wallace Stevens zei) nooit tevreden. En het dwingt organismen zich uit te sloven om capaciteiten te ontwikkelen die geen enkel biologisch nut hebben. Hoe meer iets het instinktieve weerstaat, het typische en het voldoende, hoe meer het gewaardeerd wordt. Daarom hebben we een “Guiness Book of Records,” de Gautama Buddha, en het Museum of Modern Art. Zij vertegenwoordigen het verwerpen van de norm.

bron Here Instead. (The New Yorker plaatste het artikel niet on line)




Tags: maatschappij, Wetenschap, steven, pinker, louis, menand

Zie ook het archief