hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

De ketter en de hoveling (over Spinoza en Leibniz)

27 januari 2010


trHet boek The Courtier and the Heretic ("de hoveling en de ketter") van Matthew Stewart (2006) is de boeiende confrontatie van twee beroemde filosofen uit de zeventiende eeuw. Een van deze twee, Spinoza, is de grondlegger van het moderne denken. Als eerste in Europa heeft hij over het vrije denken en over de seculiere samenleving geschreven. Dat wij zulke gedachten nu kunnen koesteren, hebben we aan hem te danken. Ik zeg het maar even om het belang van dit boek te onderstrepen. Hier een korte samenvatting. In maart 2008 werd een nederlandse vertaling gepubliceerd door Uitgeverij Meulenhoff

Matthew Stuart:

Wij hebben het geluk te leven in een tijd waarin filosofie beschouwd wordt als een ongevaarlijke bezigheid. Maar Baruch de Spinoza had ruimschoots reden om te vrezen voor zijn veiligheid. Een van zijn vrienden was kortgeleden terechtgesteld, en een ander was gestorven in de gevangenis. Zijn inspanningen om zijn definitieve werk, de Ethica, gepubliceerd te krijgen, waren gestopt onder dreiging met trafrechtelijke vervolging. Een leidinggevende Franse theoloog noemde hem "de meest goddeloze en meest misdadige man van de eeuw" en. Een machtig bischop hekelde hem als "een krankzinnig en kwaadaardig man, die verdient onder ketens bedolven en met de zweep afgeranseld te worden." Bij het grote publiek stond hij simpelweg bekend als "de Joodse atheist."

Tussen hen die ernaar verlangden om de goddeloze filosoof voor de rechter te brengen was een jonge hoveling en geleerde genaamd Gottfried Wilhelm Leibniz. In een persoonlijke brief aan diezelfde Franse theoloog beschreef Leibniz Spinoza's werk als "afschuwelijk" en "angstaanjagend." Tegenover een beroemd professor noemde hij het "onverdraaglijk schaamteloos." Aan een vriend verklaarde hij, "ik betreur het dat een beschaafd man zo laag gevallen is."

Maar in de beslotenheid van zijn eigen studeerkamer krabbelde Leibniz zijn aantekenboekjes vol met nauwgezette commentaren op Spinoza's werk. Hij wisselde brieven uit met zijn publieke tegentander, waarin hij hem aansprak als "gevierd doctor en diepzinnig filosoof." Hij trachtte langs gemeenschappelijke vrienden de gelegenheid te bekomen om een copie van de Ethica te bestuderen en, omstreeks 18 november 1676 reisde hij naar Den Haag om Spinoza persoonlijk te ontmoeten.

Op het ogenblik van hun ontmoeting was Leibniz slechts 30 jaar oud. Spinoza was 44 jaar, en had nog drie maanden te leven.

Leibniz is vooral bekend als een van de ontdekkers van de calculus, maar hij hield zich ook bezig met alchemie, chronometrie, aardrijkskunde, geschiedenis, rechtspraak, taalwetenschap, optica, filosofie, dichtkunst en politieke theorie. ZIjn hele leven werkte hij aan een soort symbolische rekenmachine, een houten kistje met hefboompjes en wieltjes dat nooit echt gewerkt heeft. Met de ganzenveer heeft hij zo'n 150.000 vellen volgeschreven. Deze bevinden zich nu, grotendeels ongelezen, in een archief in Hanover.

Leibniz was zijn hele leven verbonden aan de ene of de andere gezagsdrager, varierend van graaf tot koning. Ondanks zijn welstand, was hij ononderbroken bezig een steeds machtiger beschermheer te zoeken. In een sucsesvolle sollicitatiebrief aan Johann Friedrich, de graaf van Hanover, gaf hij een lijst van alle nieuwigheden waaraan hij aan het werken was. Zo was er een universele beeldtaal die de grondslag van alle wetenschappen zou worden; zijn wiskundig bewijs, het eerste ooit, dat vacuum bestaat; zijn revolutionaire rekenmachine; de uitvinding van twee nieuwe lenzen; de oplossing van het longitudeprobleem dat nog steeds de scheepvaart belemmerde; een onderzeeër; een machine om een druk van 1000 atmosfeer op te wekken; een nieuwe filosofie over recht en moraal; een nieuw godsbewijs; en tenslotte een nieuwe theorie ter ondersteuning van goddelijke mysteries. Geen van deze zaken heeft ook werkelijk ergens toe geleid.

Wanneer Leibniz in dienst stond van een katholiek heerser schreef hij metafysische verdedigingen van het catholicisme; was zijn heer een calvinist, dan was ook Leipzig calvinist. Dit alles werd aan elkaar geplakt met een filosofie over verzoening tussen de godsdiensten - tussen de christelijke godsdiensten wel te verstaan, want op een bepaald ogenblik werkte hij een plan uit om de samenhorigheid tussen de christelijke strekkingen te bewerken door een oorlog tegen Egypte te beginnnen - een plan dat in de zeventiende eeuw werd weggelachen als middeleeuws, maar dat later Napoleon zou inspireren. Zijn sollicitaties naar posten wisselden af met sollicitaties bij academies en brieven aan befaamde geleerden. Steeds uitgedost in vol ornaat was hij een boeiend spreker die de hoogste salons frequenteerde. De hertogin van Orléans apprecieerde hem omdat "intellectuelen die goed ruiken en grappen begrijpen tegenwoordig zo zeldzaam zijn."

Spinoza was het kleinkind van Portugese Joden die waren ontsnapt aan de inquisitie, en na omzwervingen in het veilige Nederland waren beland. Daar kwam de jonge Spinoza onder invloed van Frans Van den Enden, boekhandelaar, toneelschrijver, radikaal demokraat en advokaat van de vrije liefde. Er ging een nieuwe wereld open voor de jongen die in het Hebreeuws geschoold was en de hele bijbel uit het hoofd kende - maar weinig anders van de wereld wist. De dochter van Van den Enden wijdde Spinoza in in de Latijnse taal, nog altijd de taal van de nieuwe ideeën. In 1974 zou Frans Van den Enden naar Parijs trekken om er aan een republikeinse revolutie deel te nemen. Een spion verraadde het complot en hij werd opgehangen.

Spinoza bestudeerde nu de geschriften van Descartes (die misschien nog steeds in Amsterdam leefde) even intens als hij de bijbel had bestudeerd, en kwam tot het besluit dat geen van de twee deugde. De Synagoge beschuldigde hem er nu van te beweren dat de bijbel niet door Mozes geschreven was, dat de ziel sterft met het lichaam en dat God uit materie bestaat. En in zekere zin was dat allemaal waar. Aan zijn twee beste vrienden werd gevraagd hem hierover uit te horen, en Spinoza antwoordde dat als in de bijbel over zielen gesproken wordt, alle levende wezens bedoeld worden, en dat de psalmen zeggen dat god groot is, wat alleen met materie kan. Hij was op dat ogenblik amper 20 jaar. Het gefluister nam toe, en wat later trachtte iemand hem in de straat met een mes om het leven te brengen. De Synagoge, die represailles van de overheid vreesde, bood hem duizend dukaten om zijn ideeën af te zweren. Spinoza weigerde. Op 27 juli 1656, 24 jaar oud, werd hij geexcommuniceerd, verstoten en vervloekt door zijn gemeenschap:

...dat de genaamde Spinoza geexcommuniceerd wordt en verstoten van het volk van Israel... hij zij vervloekt bij dag en vervloekt bij nacht; vervloekt als hij zich neerlegt en vervloekt als hij opstaat. Hij weze vervloekt als hij buiten gaat en vervloekt als hij thuiskomt. De Heer zal hem niet sparen, maar zal hem uitroken met woede en razernij, en alle vervloekingen hier geschreven zullen op hem neerkomen, en de Heer zal zijn naam uitwissen onder de Hemel.

Met plezier, zei hij, betrad hij de weg die ze voor hem geopend hadden. Hij keek nooit meer om.

Matthew Stuart:

Toen hij de brug over de houtgracht voor de laatste maal overstak, leverde hij zichzelf over aan de genade van de nieuwe verdraagzame Nederlandse samenleving. Hij zag zichzelf niet langer als een Jood, maar als een burger in een vrije republiek. Zijn gerijpte filosofie werd een eerbetoon aan de geest van vrijheid van het vaderland dat zijn ouders hadden gekozen.

Maar spoedig zouden de rabbi's mild schijnen in vergelijking met het vitriool van de christelijke theologen. Zo was Spinoza twee keer banneling: voor de Joodse gemeenschap was hij een ketter; voor de theologen was hij ook nog eens een Jood. Maar net hierdoor ging Spinoza beter begrijpen dat de oude theocratieën hun eigen graf aan het delven waren, en dat de toekomst in een seculiere samenleving lag.

Hij huurde een kamer en gedurende de dag sleep hij lenzen voor microscopen en telescopen, maar wanneer het daglicht te zwak werd werkte hij bij kaarslicht verder aan zijn filosofisch werk. Het gebeurde een keer dat hij drie maanden lang niet uit zijn kamer kwam. Volgens een lijstje opgemaakt bij zijn dood bezat hij twee broeken, zeven hemden en vijf zakdoeken. Stewart schat dat Leibniz evenveel uitgaf aan levensonderhoud als elf Spinoza's.

Matthew Stuart:

Maar Spinoza was niet zo'n eenvoudige persoonlijkheid als zijn levenswijze zou doen vermoeden. Vrienden en bezoekers vonden hem dikwijls een raadsel, een mengsel van voorzichtigheid en stoutmoedigheid, van bescheidenheid en arrogantie, van ijzige logica en opstandige passie. Hij was een ketter met het karakter van de echte gelover, een heilige zonder godsdienst. Hij had het soort charisma dat kon inspireren tot levenslange toewijding, maar hij had ook een uitzonderlijk talent om vijanden te maken.

Toen Leibniz hem opzocht waren zijn grote werken voltooid. In zijn Tractatus Theologo-Politicus was hij een van de eerste grote denkers over de moderne seculiere staat, en een voorloper van de Amerikaanse Constitutie. Zijn Ethica liepen eeuwen voor op de geschiedenis. Einstein was een van zijn bewonderaars.



De zeventiende eeuw was een schitterende eeuw van geestelijke bewustwording, maar ook een eeuw van godsdienstoorlogen en gruweldaden. En het was vooral de eeuw van overgang van de middeleeuwse theocratische samenleving naar de moderne seculiere maatschappij. Spinoza heeft de moderne wereld niet uitgevonden, hij heeft haar ontstaan bemerkt en getracht haar te begrijpen, in een Nederland waar vervolgden een schuilplaats vonden voor godsdiensthaat, maar waar hijzelf uit zijn Synagoge was verstoten en bedreigd werd door christelijke ambtsdragers. Hij was de eerste die de de oude filosofische vragen trachtte te zien in het licht van de moderne tijd. Hij heeft een god ontworpen die paste bij de nieuwe inzichten over het universum, en zocht een nieuwe plaats voor de mensheid die uit het centrum van dat universum verstoten was.

In 1665 was Spinoza betrokken in een volksopstand in Voorburg. Op dat ogenblik vatte hij het plan op een politiek manifest te schrijven over de vooroordelen van de theologen, over zijn vermeend atheisme en over de vrijheid van denken. Het volgend jaar echter werden twee van zijn vrienden en medestanders, de gebroeders Koerbagh, gearresteerd. Adriaen stierf van ontbering in de gevangenis. Daarop werd Johannes vrijgelaten, maar ook hij stierf spoedig, ziek en uitgeput door het gevangenisregime. In 1670 publiceerde Spinoza eindelijk zijn Tractatus, volgens het voorwoord "een aanklacht tegen godsdienst als een middel om mensen te misleiden en in het gareel te houden, zodat ze eerder zouden vechten voor hun onderwerping dan voor hun bevrijding." Een groot deel van de Tractatus is besteed aan bijbelkritiek met het doel de aanspraken op macht van de clerus te weerleggen. Verder bevat het werk een pleidooi voor individuele mensenrechten en voor een nieuw soort staat, die niet door een theocratie geleid zou worden, maar in dienst van de bevolking zou staan: "Het doel van de staat is vrijheid" klinkt het kort maar duidelijk.

De Tractatus veoorzaakte een storm in Europa zoals men er geen meer zou meemaken tot de tijd van Darwin. Er werd schande geschreeuwd, er werd gescholden, en er werd geroepen om zijn terechtstelling, ook door Nederlandse academici.

In die opschudding schreef Leibniz eerst een instemmende brief aan professor Graevius in Leiden, die Spinoza een pest genoemd had, en vervolgens een brief aan Spinoza, waarin hij hem prees voor zijn reputatie als... lenzenslijper.

Er waren uiteenlopende redenen waarom Leibniz Spinoza contacteerde. De eerste was dat hij zich als de grote verzoener en de grootste geleerde van de christelijke wereld zag, en zich zo bij nieuwe ideeën betrokken voelde. Vanuit die gedachte had hij ook bijvoorbeeld naar Hobbes geschreven. Maar het is ook mogelijk dat darnaast de kritiek van Spinoza op religie een gevoelige snaar had geraakt. Leibniz ijverde voor christelijke eenheid, maar was maar zeer matig in de bijbel of erediensten geinteresseerd. Het nieuwe eengemaakte christendom moest in zijn visie op de rede steunen.

Hier ligt een overeenkomst tussen beide filosofen. Spinoza had (voor ons) verrassend geschreven dat er nood was aan een godsdienst voor het gewone volk. Die "exoterische" godsdienst moest dan aan de massa's vertellen dat er een hoger wezen was dat gerechtigheid en liefdadigheid eiste. Dit moet Leibniz als muziek in de oren geklonken hebben: de man die een nieuwe christelijke godsdienst wilde ontwerpen zoals een rekenmachine of een onderzeeër, vond een klankbord in de man die zelf niet geloofde, maar wel nut zag in een ontworpen godsdienst.

Vervolgens was de wetenschapper Leibniz ook aangetrokken door het pantheisme van Spinoza. Leibniz ging niet zo ver als Spinoza, te zeggen dat God zodanig in de natuur is, dat er niets anders bestaat dan natuur die ook god is. Maar hij dacht wel aan een overal aanwezige God die alle natuurlijke processen stuurde, volgens de wetten van oorzaak en gevolg. Onnodig te zeggen dat Leibniz deze idee stilhield. Wanneer hij, kort na het lezen van de Tractatus, zijn nieuwe ideeën beschreef aan zijn vriend Wedderkopf, drukte hij die op het hart er met niemand over te spreken.

Toen Spinoza, in 1675, in Amsterdam verbleef om de publicatie van zijn Ethica voor te bereiden, bereikten hem geruchten dat theologen hem hadden aangeklaagd bij de prins en de magistraten. De cartesianen waren de theologen in de klachten gevolgd, en spionnen waren reeds op pad gezonden. De publicatie werd uitgesteld. De werken van Spinoza waren vanaf dan vooral beschikbaar in een klein circuit van vrienden, die op het hart gedrukt werden enkel copieën door te geven na uitdrukkelijke toestemming van Spinoza zelf. Een brief met het verzoek zijn geschriften te laten copieren door Leibniz, bereikte Spinoza omstreeks deze tijd. De brief introduceert Leibniz als een geleerd man met een open geest, die de Tractatus sterk gewaardeerde. De brief was geschreven door een merkwaardig man, Georg Hermann Schuller:

Matthew Stuart:

Er is weinig bekend over Schuller, en weinig daarvan is goed. Hij noemde zich arts, maar er is niets wat aantoont dat hij zijn studies afmaakte. Uit zijn correspondentie blijkt dat hij in alle talen aanrommelde maar er geen beheerste; en hij was vooral beslagen in het uitgeven van andermans geld, gewoonlijk aan onmogelijke alchemistische plannen.

Schuller zal later in het verhaal nog voor verrassing zorgen.

Spinoza, achterdochtig na de recente terechtstelling van Van den Enden in dezelfde stad een jaar voordien, antwoordde dat hij niet begreep waarom Leibniz nog altijd in Parijs was, en dat het onvoorzichtig zou zijn hem zijn geschriften te bezorgen.

De pogingen van Leibniz, de Franse koning te overtuigen van een kruistocht tegen Egypte waren mislukt. Waarom hij nog in Parijs was, wist inderdaad niemand, maar misschien was hij gewoon verliefd geworden op de Lichtstad.

Leibniz besloot Spinoza zelf op te zoeken. Hij wist genoeg om zich zorgen te maken, maar onvoldoende om alles te begrijpen. Zijn god en natuur dezelfde substantie? Wat rest er van mensen als er niets meer te aanbidden is? Hoe zou of kon de wereld veranderen met het geloof in zo'n god? Was de god van Spinoza nog wel bovennatuurlijk? Tijdens zijn bootreis en in hotelkamers onderweg krabbelde Leibniz zijn vragen neer, schrapte ze en begon opnieuw. Het groeide uit tot een uiteenzetting van de ideeën van Spinoza, voorgesteld als ideeën van Plato en Parmenides (die in conservatieve kringen hoog aangeschreven stonden,) met als toevoeging dat het verstandiger was geen dingen te verkondigen die ingingen tegen de publieke opinie van de dag.

Hoe lang en hoe sterk Leibniz in het Spinozisme geloofde, blijft de vraag:

Matthew Stuart:

Het enige wat zeker is, is dat er feitelijk te veel ideeën waren in het hoofd van Leibniz om allemaal samen één wereldbeeld te kunnen vormen. Een deel geloofde in Spinoza's god van de rede; een ander deel geloofde in de orthodoxe voorzienigheid; en zonder twijfel was er een ander deel dat nog meer onverzoenbare stellingen aanhing. Zelfs terwijl zijn ontmoeting met de filosoof van Den Haag naderde, leek hij nog twijfels te koesteren die een echte eensgezindheid onmogelijk maakten.

Leibniz arriveerde omstreeks 18 november 1676. Hij bleef drie dagen, of misschien een week in Den Haag. De twee filosofen waren nog het meest eengezind als ze de filosofie van Descartes afbraken, maar hoe de vrijgekomen ruimte opgevuld moest worden leidde tot eindeloze dovemansgesprekken.

Spinoza stierf slechts drie maanden later.

De dag vóór zijn dood had hij nog een pijp gerookt met Hendrik Van der Spyck, in diens woonkamer in het huis aan de Paviljoensgracht waar Spinoza zijn kamer huurde. Op de ochtend van de dag van zijn dood vertelde Spinoza dat hij het bezoek van een arts verwachtte. Toen de Van der Spycks terugkeerden van de ochtendmis, troffen ze hem met de arts in gesprek. Hendrik merkte daarbij op dat Spinoza in zijn gewone verstrooidheid een gouden dukaat, wat wisselgeld en een zilveren mes op de tafel had achtergelaten. Toen de Van der Spycks omstreeks vier uur van een namiddagkerkdienst thuiskwamen, hoorden ze onthutst dat Spinoza om drie uur gestorven was. Hendrik en de arts stelden samen nog snel een lijstje van Spinoza's bezittingen op, waarna de arts in grote haast vertrok, zonder zich verder om de dode te bekommeren. De dukaat, het geld en het mes waren samen met hem verdwenen.

Enkele weken na zijn dood werd de lessenaar van Spinoza zonder enig uitwendig teken of adres, aan zijn uitgever bezorgd, zoals hijzelf had gevraagd. Op de kaden van Amsterdam speurde de familie vruchteloos naar de vracht, omdat ze geloofden dat er een fortuin in moest zitten.

Hoewel zijn identiteit aanvankelijk verborgen werd gehouden, bleek later dat de arts niemand anders kan geweest zijn dan Schuller, de "klungelige, bedrieglijke, ongeloofwaardige alchemistische vriend van Leibniz." In een brief verklaart Schuller dat hij onmiddellijk na het overlijden al de manuscripten van Spinoza doorzocht, en alles verwijderde wat "rook naar geleerdheid (sic) of onregelmatigheid". Er is ook een brief gevonden van een huisgenoot van Schuller, die schreef onthutsende zaken te weten over de dood van Spinoza.

Slechts enkele dagen later schreef Schuller een brief aan Leibniz, waarin hij hem het manuscript van de Ethica, dat Leipzig had gezien bij Spinoza, aanbood voor 150 gulden. Wat er ook gebeurd is op de verschrikkelijke dag van de dood van Spinoza, Schuller was erbij betrokken, en Leibniz was op de hoogte.




Tags: Samenleving, Ethiek, Seculariteit, spinoza, leibniz, matthew, stewart

Zie ook het archief