hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Billijkheid, egoisme en de vrije markt

01 maart 2010


rt T

ot kortgeleden waren de theorieën over het menselijk bestaan - missschien het meest complexe wat het universum heeft voortgebracht - verrassend simplistisch. Het sociobiologische credo dat mensen worden gedreven door zelfzucht en geweld, ging samen met het kapitalistische credo dat financieel voordeel de motor van alle economisch leven is.

De laatste jaren zijn op dit gebied talrijke nieuwe denkbeelden geopperd en uitgetest. Het uittesten van theorieën over menselijk gedrag werd voordien maar zelden gedaan. Misschien is de tijd aangebroken waarin ook voor de menswetenschappen breedgeschilderde verhalen het afleggen tegen de zorgvuldige waarneming van wat zich werkelijk voordoet, en worden ook daar mythen teruggedrongen door de wetenschappelijke methode.

Het boek "Experiments in Economics: playing fair with money" van Ananish Chaudhuri (2009) beschrijft deze nieuwe evolutie in het economisch denken, die volgens mij ook invloed zal hebben op de biologie en de antropologie. Economen hebben het verschijnen van dit boek toegejuicht als de ontsluiting voor een groter publiek van een terrein waar al twintig jaar in gewerkt wordt door specialisten.

Oude dogma's zoals de wet van vraag en aanbod, economisch rationalisme en winst als primaire drijfveer worden niet langer zonder slag of stoot aangenomen, maar worden uitgetest in soms knap opgezette experimentele situaties. Hierdoor is men zich gaan realiseren dat sociale normen een veel grotere rol spelen dan tot nu gedacht.

Het boek behandelt vier thema's: billijkheid in overeenkomsten; vertrouwen en betrouwbaarheid; samenwerking in sociale dilemma's; en samenwerking in organisaties.

1. Het Ultimatum game (over billijke overeenkomsten)

Heel wat economische theorieën veronderstellen dat mensen rationeel handelen, of anders gezegd dat ze altijd datgene doen wat henzelf het meeste oplevert. Maar soms wordt een overeenkomst die winst zou opleveren niet gesloten omdat één van de partijen vindt dat ze onbillijk is. Zo blijkt dat heel wat klanten weigeren een sneeuwschop te kopen als de handelaar de prijs snel verdubbeld heeft bij onverwachte sneeuwval, ook al hebben ze die nodig. Als er meer werkzoekenden zijn worden lonen niet verlaagd, omdat de werknemer een goede verstandhouding met het personeel verkiest. (Beide voorbeelden zijn Amerikaans.) Mensen blijken bereid te zijn geld mis te lopen wanneer de overeenkomst niet meer klopt met hun gevoel van billijkheid. Om dit vermoeden uit te testen werd het ultimatum game bedacht.

Proefpersonen werden ingedeeld in duo's van Gevers en Nemers. Elke Gever ontving een startbedrag, en werd verzocht een deel ervan aan de Nemer te geven en de rest voor zichzelf te houden. Als de Nemer de verdeling weigerde verviel het startbedrag en kregen beide niets.

Men zou verwachten dat de Gever slechts een minimaal bedrag zou bieden, omdat de Nemer er geen baat bij had welk aanbod ook te weigeren. Maar er werd veel hoger geboden, en voorstellen waarbij de Gever 80% of meer voor zichzelf hield, werden afgewezen. De resultaten weken sterk af van de optimale verdeling die men op economische gronden zou verwachten. De "rationele" oplossing werd niet ervaren als sociaal aanvaardbaar of billijk. Dit resultaat veroorzaakte opschudding onder economen. Billijkheid kwam tot dat ogenblik niet in hun woordenschat voor. Zij hadden mensen steeds beschouwd als "rationele" wezens, die zich altijd richten op het grootste voordeel.

Toen men op het idee kwam de verdeling achtereenvolgens door de Gever, door een neutraal persoon en tenslotte met een roulette te laten beslissen, bleken respectievelijk een bod van zo'n 30%, 20% en 10% aanvaard te worden. Dat men zich strenger opstelde tegenover een medespeler dan tegenover toeval toont ondubbelzinnig aan dat het hier om een sociale norm gaat.

Wanneer het spel zo werd aangepast dat de Nemer geen nadeel aan de Gever kon berokkenen, bleek dat 98% van de gemaakte voorstellen in het voordeel van de Gever waren, en er geen enkel werd afgewezen door de Nemer.

Meer onderzoek heeft aangetoond dat niet alle culturen hetzelfde denken over wat billijk is. Dát algemene normen van billijkheid overal een grote rol spelen is wel duidelijk.

Chaudhuri besluit zijn hoofdstuk over het ultimatum game met de vaststelling dat een winstgevende overeenkomst kan afgewezen worden omwille van onbillijkheid. Deze onbillijkheid kan zowel liggen in de verdeling zelf, als in de wijze waarop de verdeling tot stand is gekomen. Mensen aanvaarden makkelijk de uitkomst van een loterij, zolang die eerlijk verloopt.

2. Het investment game (over vertrouwen en betrouwbaarheid)

Vertrouwen is noodzakelijk in het dagelijks leven: telkens iemand een taxi neemt of iets koopt met e-bay is er vertrouwen nodig.

Voor dit game worden opnieuw duo's van Gevers en Nemers gevormd van spelers die elkaar niet kennen. Elke speler kreeg hetzelfde startbedrag, maar enkel de Gever heeft de keuze het spel te verlaten met het hele bedrag, of een deel of alles over te maken aan de Nemer. De experimentator verhoogde dit bedrag zodat de Nemer het drievoudige ontvangt van wat de Gever afstaat. Daarop kan de Nemer niets of een deel terugzenden aan de Gever.

De Gevers vertrouwden gemiddeld de helft van de startbedragen werden toe aan volkomen vreemden, die gemiddeld de helft van de ontvangen bedragen terugzonden.

Ralph Waldo Emerson, schrijft Chaudhuri, gaf klaarblijkelijk een algemeen menselijke eigenschap weer toen hij schreef:

“vertrouw mensen en ze zullen je eerlijkheid betonen; behandel hen met grootheid, en ze zullen zich groot tonen.”

Als puntje bij paaltje komt hebben we ons vertrouwen in eigen hand, terwijl we naar betrouwbaarheid op zoek moeten. Vertrouwen en betrouwbaarheid zijn twee verschillende dingen. Chaudhuri en anderen hebben het verband tussen beide bestudeerd. Hun besluit is dat een betrouwbaar iemand makkelijk vertrouwen schenkt, maar dat mensen in het algemeen iets makkelijker vertrouwen schenken dan het te belonen.

3. Het public goods game (samenwerking in sociale dilemma's)

Publieke goederen zijn dingen waar - normaal gesproken - iedereen toe bijdraagt en waar ook iedereen van geniet volgens behoefte. Voorbeelden van publieke goederen zijn de brandweer, het stadspark, gezonde lucht en snelwegen.

Bij een public goods game worden spelers samengezet in een kamer. Ieder van hen krijgt een startbedrag, dat ze kunnen verdelen over een eigen rekening en een publieke rekening. Wat ze op hun eigen rekening plaatsen, kunnen ze gewoon houden. Wat ze op de publieke rekening plaatsen, wordt verdubbeld door de experimentator en vervolgens gelijk verdeeld over alle spelers.

Het sociale optimum is natuurlijk dat elke speler zijn of haar volledige startbedrag op de publieke rekening zou plaatsen. Elke speler zou zo eindigen met een veelvoud van het eigen startbedrag. Maar Als slechts één speler zou bijdragen aan de publieke rekening, zou die ene verlies lijden, en al de anderen zouden winst maken.

De standaard economische theorie voorspelt dat in zo'n situatie iedereen er voor zou kiezen zo weinig mogelijk bij te dragen, ongeveer zoals in Catch22 van Joseph Heller, een sleutelroman voor Ananish Chaudhuri:

“Het was een prachtig gebouw, en Yossarian was aangedaan door een machtig gevoel van verwezenlijking telkens hij het bewonderde, en besefte dat niets van de arbeid die het gevergd had van hemzelf was gekomen.”

Onderzoekers hebben echter vastgesteld dat het gemiddelde van de aanvankelijke bijdragen aan het publieke goed schommelt tussen 40 en 60% van het startbedrag. Dit cijfer is verrassend constant, zelfs in verschillende landen en culturen. Een andere belangrijke algemene regel is dat dit aandeel stelselmatig daalt wanneer meerdere ronden gespeeld worden. Sommige mensen betalen nooit iets, terwijl anderen beginnen met alles te investeren, maar hun bijdrage beetje bij beetje verlagen.Dat komt niet doordat mensen gaandeweg leren dat anderen misbruik kunnen maken van hun bijdrage, maar doordat dat alle spelers streven naar onderlinge afstemming, met uiteenlopend resultaat. De ene keer slagen ze erin elkaar te overtuigen om een grote bijdrage te leveren. Een andere keer slagen ze er niet in hun akties af te stemmen, en eindigen ze met lagere bijdragen. De spelers beseffen dan wel dat hogere bijdragen voordeliger zijn, maar niemand kan daar op z'n eentje aan beginnen: enkel als alle spelers terzelfdertijd hun bijdrage verhogen kan het schadelijke evenwicht verbroken worden. De spelers die hoge bijdragen inzetten zijn “voorwaardelijke samenwerkers” (conditional co-operators): hun inspanning hangt vooral af van wat ze hopen dat andere groepsleden zullen doen. Wie verwachten dat de anderen weinig zullen bijdragen, houden hun bijdragen zelf laag. Mensen zijn, in deze visie, geen zuivere altruisten of zuivere profiteurs: de meesten handelen volgens het gedrag dat ze verwachten van de anderen. Gemiddeld bestaat een willekeurige groep voor ongeveer de helft uit voorwaardelijke samenwerkers, en voor ongeveer één derde uit "zwartrijders" (free riders) die niets bijdragen.

Bij de voorwaardelijke samenwerkers zijn er optimisten, die aanvankelijk hoog inzetten omdat ze hetzelfde van de anderen verwachten, en pessimisten, die de kat uit de boom kijken maar volgen als er voldoende inzet is. Gaandeweg ontdekken de optisten dat er zwartrijders in het spel zitten. Bijgevolg verlaagt het gemiddelde van de bijdragen. De pessimistische voorwaardelijke samenwerkers verhogen hun bijdrage als ze zien dat er meer aan het publieke goed wordt bijgedragen dan ze verwachtten. Maar, schrijft Chaudhuri, het blijkt een algemene regel te zijn dat de bijdragen van een ontgoochelde optimist sneller dalen, dan de bijdragen van een verheugde pessimist stijgen. Talrijke xperimenten tonen aan, schrijft Ananish Chaudhuri, dat mensen hebben geleerd routinematig samen te werken met vreemdelingen, dikwijls in grote groepen, met mensen die die ze nooit terug zullen zien en waarbij iemands reputatie weinig of geen belang heeft. Mensen dragen niet enkel systematisch bij tot liefdadigheid: ze geven bloed en organen aan volslagen vreemden. Bijgevolg volstaan biologische theorieën als verwantsschapsselectie (“kin selection”) en wederkerig altruisme mogelijk niet om de patronen van brede menselijke samenwerking te verklaren. Economen die bij het hier samengevatte onderzoek betrokken waren stellen een nieuwe theorie voor: “sterke wederkerigheid” (“strong reciprocity”). Hiermee bedoelt men de aanleg om heilzame normen van samenwerking op te stellen en diegenen te bestraffen - desnoods met eigen schade - die deze normen van samenwerking overtreden, zelfs als het onwaarschijnlijk is dat deze schade ooit op een of andere wijze vergoed zal worden.

4. Het stag hunt game (over samenwerking)

Het stag hunt game (in het Nederlands “hertenjacht spel”) dankt zijn naam aan de Franse filosoof Jean-Jaques Rousseau. Rousseau schreef over twee jagers die er op uit trekken om een hert te vangen. Terwijl ze stilletjes naderbij sluipen bemerkt één van beiden een konijn. Het beestje is makkelijk te grijpen, maar dat zal het hert opschrikken en wegjagen. Als één jager de overeenkomst verbreekt en kiest voor kleinere maar snellere opbrengst, gaat de grote vangst voor beide verloren. Dat is een organisatiedilemma dat voortdurend aanwezig is in samenlevingen, bij dieren die in groep jagen en bij jagersstammen, maar nog veel meer in de moderne samenleving. Bedenk alleen maar hoeveel mensen hun steentje moeten bijdragen om een vliegtuig te bouwen of een spoorwegnet uit te baten, of om bij McDonalds een maaltijd op te leveren binnen enkele minuten. Heel wat dagelijkse beslissingen horen tot dezelfde soort coordinatieproblemen: rijden we links of rechts, schakelen we naar 220 of 110 volt, stoppen we bij rood of groen, koop ik een Mac of een PC, zal ik deelnemen aan een protestbetoging? Al deze coordinatieproblemen herinneren aan het stag hunt game.

Dit game wordt opnieuw door een groep mensen gespeeld. Elke speler moet de hoogte van zijn inzet bepalen. Hogere inzet levert hogere opbrengst, maar alleen als voldoende andere spelers dezelfde inzet hebben gekozen. Als dat niet het geval was, bracht een kleinere inzet meer op. Er worden verschillende ronden gespeeld, waarna informatie wordt uitgewisseld.

Niemand begon bij de hoogste inzet. Aanvankelijk werd gemiddeld ingezet, en de inzet daalde in de volgende ronden om bij het minimum te eindigen.

Opnieuw liep het vertrouwen van economisten in de menselijke rationaliteit een deuk op. Chaudhuri schrijft hierover:

Overbodig te zeggen dat deze resultaten een komplete verrassing waren voor de meeste economisten. Vóór de resultaten van deze studies gepubliceerd waren [in de jaren negentig] meenden de meeste economisten dat rationeel economisch handelende wezens zelf de keuze zouden maken die het meeste geld opbracht. Deze resultaten ontkrachtten die veronderstelling volledig. Zij lieten vermoeden dat in de afwezigheid van enige tussenkomst, regel, overeenkomst of communicatie met anderen en de mogelijkheid beloftes te maken, zelfs intelligente mensen het bijzonder moeilijk hebben om overeenstemming te bereiken.

De invloed van communicatie op georganiseerde samenwerking werd verder onderzocht, en het bleek dat ook hier onzekerheid over de anderen de belangrijkste rol speelde. Zoals in vorige experimenten met coordinatie zijn spelers bereid zich in te zetten, als ze geloven dat de anderen dat ook zullen doen. Samenwerking blijkt steeds terug te vallen op vertrouwen.



Over dit boek heb ik ook gepost op Freethinker.nl. Daar worden meer details over een hele reeks experimenten gegeven.




Tags: economie, fairness, Samenleving, Wetenschap, Ethiek

Zie ook het archief