hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Het Morele Instinct (Jan Verplaetse)

16 maart 2010


H

et is niet makkelijk een bestseller te schrijven in Vlaanderen. Je moet controversieel genoeg zijn om de aandacht te trekken, maar niet zo controversieel dat er iets omwaait. Je mag wat stevigs zeggen, maar je moet wel de deur stilletjes sluiten als je weggaat.

Verplaetse meent dat hij best zelf meteen aangeeft (in Besluit, p.287) welke kritiek hij verdient:

Ik verwacht het verwijt dat ik moreel relativisme aanhang. Zo zou ik alles moreel vinden, zelfs de horror die in dit boek beschreven werd.

Het klinkt als een lokkertje. Wat is dan wél de moraal van dit instinkt? Welnu, besluit Verplaetse enkele bladzijden verder, we hebben geduldige ouders en bekwame straathoekwerkers nodig, en we moeten minderheden niet demoniseren. Geen grote uitspraken meer over morele instinkten en over natuurlijke moraal. De deur is stilletjes dichtgedaan.

Verplaetse ziet vier (overgeërfde) instinkten die samen het morele instinkt vormen: gehechtheid, geweld, reinheid en samenwerking. Het is een beetje persen, want alleen van het eerste (de gehechtheid tussen moeders en jongen bijvoorbeeld) is aangetoond dat het genetisch bepaald is. De overige laat ook Verplaetse in het midden, waardoor de provocerende titel snel aan kracht inboet.

Het begint met stevige vingerwijzing aan de Nobelprijswinnaar Lorenz (p.52.) Diens beroemde "Over Agressie bij Dier en Mens"(Oorspronkelijk Das sogenannte Böse. Zur Naturgeschichte der Aggression) was helemaal fout. Mooie, courante opener, je voelt je direct te paard en op pad. Lorenz-bashen is in onder sociobiologen.

Lorenz, zegt Verplaetse, geloofde dat agressieremmers - signalen die dieren elkaar geven om "de handdoek in de ring te gooien", zoals wolven die hun nek aanbieden en zo een agressor stoppen - niet bij mensen voorkomen. Verplaetse vergist zich. Lorenz spreekt bijvoorbeeld over "een man die woedend is op iemand maar zijn vuist op tafel slaat inplaats van de ander zijn kaak omdat inhibitie hem afremt." Dreigen met ontbmote tanden is geevolueerd naar het grijnzen van primaten en het glimlachten bij mensen die aan de basis ligt van menselijke vriendschap. Een agressieremmer die, tot Lorenz' droefenis, niet tegen massawapens opgewassen is. Verplaetse steunt verder op sociobiologisch veldonderzoek dat de laatste decennia vooral gevoerd is door neo-cons om zowat elk dier te betrappen op een of andere vechtsituatie. Dat deze onderzoeken vooral Amerikaanse militaire agressies moesten goedpraten (mensen zijn nu eenmaal agressief, niets aan te doen...) is Verplaetse niet opgevallen. Hij kan verder ook weinig met de gegevens, die zijn eindconclusie niet eens onderbouwen.

Een tweede misser van Verplaetse ligt in het verlengde van de eerste, wanneer hij wil aantonen dat agressie niet alleen algemeen is bij dieren, maar ook ook bij prehistorische mensen.

Grote roofdieren zijn uitgestorven in het laat pleistoceen, schrijft Verplaetse, en dus werd de mens zelf jager. Ik denk dat hiermee op het ontstaan van menselijke agressie gedoeld wordt, maar men kan best een vredelievende jager zijn. Trouwens, roofdieren zoals de bruine beer, de wolf, de lynx bestonden nog in de moderne tijd, en een ontmoeting in de middeleeuwen met een oeros, wisent, everzwijn of eland kon even gevaarlijk zijn al een confrontatie met deze roofdieren.

Verplaetse schrijft (p.77:)

Lange tijd gingen antropologen ervan uit dat intermenselijke conflikten pas op grote schaal ontstonden toen gemeenschappen voldoende eigendom vergaarden. Ze dateerden het ontstaan van oorlogen, afhankelijk van de regio, tussen 8500 en 3000 jaar voor onze jaartelling, tijdens de overgang van de jonge steentijd naar de bronstijd, die gekenmerkt werd door het ontstaan van akkerbouw, het weiden van dieren en het ontstaan van grote gecentraliseerde rijken. Pas toen loonde het de moeite om rijkdommen op oorlogszuchtige wijze te vergaren.

Helaas verwijst Verplaetse niet naar de antropologen die volgens hem zo'n kromgetrokken theorie zouden verkondigd hebben. In deze ene paragraaf staan volgende elementaire fouten:

  1. akkerbouw en het weiden van vee zijn niet ontstaan samen met de grote gecentraliseerde rijken, maar duizenden jaren eerder.
  2. akkerbouw en veeteelt luidden het begin van de Jonge Steentijd in, niet het begin van de Bronstijd.
  3. vergaarde voedselreserves waren vanaf het begin van de Jonge Steentijd redenen voor oorlogen, getuige de eerste ommuurde steden in de vruchtbare halve maan.

Als Verplaetse dan wil bewijzen dat er al grootscheepse oorlogen waren tussen jagers-verzamelaars, vermeldt hij feitelijk voorvallen die chronologisch veeleer bij landbouwgemeenschappen thuishoren - een relaas waar bovendien erg veel de uitdrukkingen "zeer waarschijnlijk" en "grote zekerheid" in gebruikt worden.

Het vreemde is dat deze gedachtengang het boek niet dient om de eindconclusie te bereiken. Het is een samenraapsel van neo-con argumenten voor oorlog, die hier gratis maar nutteloos in gegooid zijn. Grosso-modo zegt het boek dat moraal uit een reeks instincten bestaat, maar dat we die instincten niet hoeven te volgen. Geen echte instincten dus.




Tags: moraal, Ethiek, Wetenschap, morele, instinct, Verplaetse

Zie ook het archief