hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Wild Recht - De Moraal van Dieren

31 januari 2012


H

ier een beknopte samenvatting van Wild Justice, The Moral Lifes of Animals van Marc Bekoff en Jessica Pierce, over moraal in het dierenrijk. rt Het was alweer een hele tijd geleden dat ik een boek met zoveel plezier en verademing gelezen heb. Na een eindeloze stroom publicaties die trachtten aan te tonen dat dieren slechtst waardeloze mechanieken zijn, wordt eindelijk nog eens aandacht besteed aan wetenschappelijk onderzoek dat de voor iedereen zichtbare rijkdom van het leven van sociale dieren registreert. Aan de hand van boeiende gevallen én tientallen recente wetenschappelijke onderzoeken wordt duidelijk gemaakt dat mensen zich niet hoeven te schamen voor hun - verre en nabije - verwanten. In de samenvatting hieronder heb ik vooral aandacht besteed aan systematisch wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de onderzoekers, om verder inlezen te vergemakkelijken.

De stelling die met verve verdedigd wordt in Wild Justice is dat dieren een breed repertoire aan morele codes hebben, én dat hun leven in groep door deze codes beheerst wordt. Dieren hebben niet enkel een gevoel voor recht, maar kennen ook empathie, vergeving, vertrouwen, wederkerigheid, en meer. Moraal is een geëvolueerde eigenschap, en dus hebben andere dieren het net als wij. Er is geen kloof tussen mensen en het dierenrijk (Zie ook de gelijkluidende conclusies over bewustzijn van Merlin Donald.

Wild Recht is een tegengewicht voor de "bloedrode klauwen" van "de macht van de sterkste". De talrijke gevallen waarin dieren samenwerken en billijkheid en vertrouwen tonen zijn geen laagje vernis, maar het echte ding. In dit boek wordt extra aandacht besteed aan speelgedrag dat langonderbelicht is gebleven, en kijken Bekoff en Pierce ook naar andere sociale dieren dan primaten, zoals wolven.

In 1996 klom een jongetje van drie over het hek van het gorillaverblijf in de zoo van Brookfield (Illinois USA.) Het kind viel van 7 meter op een betonnen vloer en bleef levenloos liggen. Terwijl de moeder gilde nam een gorilla genaamd Binti Jua het kind voorzichtig in haar armen. Met haar eigen kind op haar rug bracht ze het jongetje naar de toegang van haar verblijf, waar ze wachtte op de bewakers.

Binti Jua werd groot nieuws en ontving een medaille van het Amerikaanse Legioen. Maar ze deed ook de discussie heropflakkeren over wat er in het hoofd van een gorilla als Binti Jua echt plaatsvindt. Had ze echt een welbewuste "goede daad" verricht, of was het gewoon een aangeleerd kunstje? Tot in het midden van de jaren 1990 was er veel argwaan onder geleerden dat een dier over de emotionele en cognitieve middelen bezat om te reageren met intelligentie en compassie. Zij hielden het erbij dat Binti Jua menselijk gedrag was gaan vertonen door haar aanhoudend contact met mensen in gevangenschap. Misschien had ze het jongetje verward met de poppen waarmee ze had leren spelen.

§

We zullen wel nooit weten waarom Binti Jua deed wat ze deed, maar ze heeft met haar daad wel het startsein gegeven voor nieuw onderzoek. Meer en meer onderzoekers denken nu dat dieren kunnen handelen met compassie, altruisme en empathie - dat wat bij mensen "moraal" genoemd wordt. Zo, zeggen de schrijvers van Wild Justice, heeft Binti Jua niet enkel een jongetje gered, maar heeft ze ook heel wat collega's bevrijd van achterhaalde ideeën.

Moraal is een brede adaptieve strategie voor samenleven, die evolutie in talrijke diersoorten heeft doen onstaan. Er is geen enkele goede reden het woord "moraal" alleen voor het menselijk dier te reserveren.

Evolutie

De populaire opvatting is dat Charles Darwin natuurlijke selectie enkel als een evolutionaire wapenwedloop zag. Het leven was een bloedige strijd op leven en dood, meestal om sex en voedsel. Moeders eten hun jongen en broers en zusters bestrijden elkaar tot de dood. Als we met zo'n oogkleppen naar de natuur kijken zien we dieren die hun kost bijeenscharrelen middels evolutionaire conflikten. Maar dit is slechts een klein gedeelte van wat zich afspeelt. Naast de conflicten en competitie is er een overweldigend vertoon van samenwerking, wederzijdse hulp en zorg (zie ook hier.)

Na onderzoek van verschillende apensoorten, kwamen primatologen robert Sussman en Paul Garber en geneticus James Cheverud tot het besluit dat de meeste sociale interakties overwegend toenaderend (affiliative), en niet verdelend (divisive) werken. Verzorgen en vlooien (grooming) en momenten van spelen overwegen, met slechts uitzonderlijk oprispingen van gevecht of dreiging. Bij de halfapen, de oudste nog levende groep, zijn 93,2% van de sociale contacten toenaderend. Bij de apen van de Nieuwe Wereld is dat 86.1%, bij de apen van de Oude Wereld 84,8%. Ongepublicieerde data voor Gorilla's vertonen 95,7% toenaderend gedrag. Na 25 jaar onderzoek van chimpansees schreef Jane Goodall in The Chimpanzees of Gombe:

Men krijgt makkelijk de indruk dat chimpansees agressiever zijn dan ze in werkelijkheid zijn. Vredelievende interacties komen veel meer voor dan agressieve; zachte dreigende gebaren zijn veelvuldiger dan hevige; er wordt veel meer gedreigd dan echt gevochten; en ernstige gevechten met gewonden zijn zeer zeldzaam vergeleken met de relatief mildere.

Over wolvenroedels werd lang gedacht dat hun grootte afhing van het beschikbare voedsel. Wolven jagen op dieren als elanden, die doorgaans groter zijn dan zijzelf. Om met succes te kunnen jagen op zulke prooi, is er een bepaald aantal wolven noodzakelijk. Uitgebreid onderzoek van David Mech heeft echter aangetoond dat de grootte van de roedel niet afhangt van het beschikbare voedsel, maar van sociale verhoudingen. Het aantal wolven hangt af van met hoeveel anderen een wolf zich kan binden. Als competie de overhand neemt breekt de sociale code en valt de roedel uit elkaar.

Als we kijken wat dieren doen als ze niet vechten en moorden wordt duidelijk hoe rijk hun sociale leven is. Leven van dieren is gevormd door "prosociaal" gedrag. Een groot deel van dit gedrag is geen onbelangrijk bijproduct van de evolutie maar een evolutionaire kracht op zich. De oude theorieën van kin selection en reciprocal altruism zijn opengebloeid tot een veel ruimer onderzoek naar talrijke vormen van prosociaal gedrag. En, lijkt het, hoe meer we zoeken, hoe meer we vinden. Er is nu een massa aan gegevens, en nieuw onderzoek wordt aanhoudend gepubliceerd, over samenwerking, altruisme, empathie, wederkeringheid, hulp, billijkheid, vergeving, vertrouwen, goedwillendheid (kindness). Dieren leven met een aantal morele regels een redelijk vredig leven.

Onderzoekers Sarah Brosnan, Frans De Waal en Hillary Schiff ontdekten bij capucijnerapen een soort afkeer van ongelijkheid. Voedselverdeling is cruciaal bij deze dieren, en de onderzoekers stelden vast dat apen die minder beloning kregen, weigerden verder aan het onderzoek mee te werken. Hal Markowitz onderzocht dianameerkatten in gevangenschap. Zijn onderzoek suggereert een gevoel van empathie zoals men dat tot nu enkel bij mensen verwachtte. In een van zijn studies werden dianameerkatten getrained om een sleutel in een opening te steken om voedsel te bekomen. Dat lukte een ouder vrouwtje maar niet, en haar gezel kwam tot drie keer ter hulp, stak haar sleutel in het juiste vak en gaf haar het bekomen voedsel. Felix Warneken en Michael Tomasello van het Max Planck Institute or Evolutionary Training in Leipzig ontdekten dat ook chimpansees anderen helpen hun voedsel te bekomen. Er is ook empathie ontdekt bij uiteenlopende diersoorten als olifanten, ratten en muizen.

Ook altruisme en samenwerking zijn algemeen in talrijke diersoorten. Toen Gerry Wilkinson een studie van vampiervleermuizen maakte, ontdekte hij dat de dieren die succes hadden hun voedsel deelden met de minder gelukkigen. Ze bevoordeelden daarbij geen vleermuizen die henzelf eerder geholpen hadden. Bij ratten is gebleken dat ze bereidwilliger worden om anderen te helpen als ze zelf geholpen werden door een onbekende.

Wat is moraal?

De auteurs van Wild Justice geven volgende werkdefinitie:

Moraal is een reeks van onderling verbonden gedragingen die complexe interacties in een complexe groep onderhouden en regelen. Deze gedragingen houden verband met welzijn en onrecht, en dikwijls met normen van goed of fout. Moraal is in essentie een sociaal fenomeen, voortkomend uit de interacties tussen en onder individuele dieren, en bestaat uit een kluwen van draden die een ingewikkeld en wisselend sociaal weefsel bij elkaar houden. Moraal werkt als sociale lijm.

De evolutie van moraal hangt samen met de evolutie van het leven in groep. Dit leven in groep brengt een complexe morele gedragscode mee. Om praktische redenen worden deze codes hier in drie groepen opgedeeld:

  • samenwerking: altruisme, wederkerigheid, eerlijkheid, vertrouwen,...
  • empathie: sympathie, compassie, verdriet, troost,...
  • recht: delen, billijkheid, fair play, vergeving,...

Onderzoekers Jessica Flack en Frans De Waal hebben verdedigd dat de moraal van andere primaten het meest verwant is met die van mensen. Maar verwantschap is nog geen gelijkheid. Er zouden wel eens andere dieren kunnen zijn wiens moraal meer op de onze lijkt. Nobelprijswinner Nico Tinbergen en George Schaller hebben geopperd dat we veel over de evolutie van de menselijke moraal zouden kunnen leren uit de studie van sociale carnivoren, wiens levenswijze erg op die van de eerste mensen lijkt. Daarbij denken ze aan de verdeling van arbeid en voedsel, de zorg voor jongen en sexuele dominantie.

Verder zou het kunnen dat moraal beperkt is tot de zoogdieren, maar ook hier kunnen we maar echt een oordeel vellen als er meer onderzoek gedaan is naar andere soorten, bijvoorbeeld vogels. Een boek van Bernd Heinrich, Mind of the Raven, wijst er alleszins op dat zoogdieren niet de enige morele dieren zijn. Hij heeft bijvoorbeeld geobserveerd hoe raven, die bijzonder intelligent zijn, bijspringen als een andere raaf zijn vangst moet verdedigen tegen een rover.

Stereotiepe dieren

Er bestaat weerstand tegen het gebruik van het woord "moraal" bij diergedrag. Dat mensen moraal hebben, en dieren niet, is zo'n oude voorstelling dat het wel eens een vooroordeel zou kunnen zijn uit de tijd van Descartes, die verkondigde dat enkel mensen een onsterfelijke ziel hebben, en dat dieren geestloze robotten zijn. De ironie wil dat het onderzoek van diergedrag bulkt van morele woorden als altruisme, zelfzucht, wederkerigheid... Terzelfdertijd word de menselijke moraal kritischer onderzocht dan vroeger. De auteurs van Wild Justice geloven dat het tijd wordt het hele begrip opnieuw te overwegen.

De term "prosociaal" wordt dikwijls gebruikt voor diergedrag, dat men bij mensen "moreel" noemt. Toch betekenen beide woorden niet helemaal hetzelfde. Mieren en bijen gedragen zich prosociaal, maar niet moreel. Waarom zeggen de auteurs dat wolven moreel handelen, en mieren niet, terwijl ze toch beide samenwerken en beide altruistisch kunnen zijn? Moraal vereist volgens de auteurs:
  • een complexe sociale organisatie
  • een ontwikkelde cognitieve capaciteit (o.m. geheugen, emoties)
  • bekende gedragsnormen
  • het uitwisselen van signalen over goed of fout

Dit alles betekent natuurlijk niet dat dieren altijd lief zijn voor elkaar. Moreel en immoreel zijn twee zijden van dezelfde medaille. Dat is zo bij mensen en ook bij andere sociale dieren.

Een evolutionaire verklaring zou moraal kunnen herleiden tot erfelijke mechanismen. Ouderliefde, vriendschap en de hulp van vreemden zijn in zo'n visie genetisch geprogrammeerd. Verkrachting, geweld en zelfs oorlog worden verontschuldigd en zelfs gerechtvaardigd als onvermijdelijke instinkten. Maar zulk reductionisme volgt niet uit de wetenschappelijke feiten, ondanks alle voorbeelden in de sociobiologische en de evolutiepsychologische literatuur. De biologische wortels van de moraal betekenen geenszins dat kwaadaardig gedrag minder kwaadaardig is, of dat liefde, trouw en grootmoedigheid niet echt zouden zijn.

Samenwerking

Er is inmiddels een lange lijst met studies over samenwerking bij allerlei diersoorten. Amanda Seed, Nicola Clayton en Nathan Emery ontdekten dat roeken (kraaiachtigen) samenwerken om voedsel te bemachtigen als één dier er niet bij kan. Christine Drea en Laurence Frank ontdekten dat hyena's zonder training samenwerken om voedsel voor beide te bemachtigen, bijvoorbeeld door met tweeën aan een touw te trekken om een luik te openen. Daarbij observeerden ze elkaar en pasten zich aan zoals de situatie vereiste.

Hoe meer men zoekt naar samenwerking bij dieren, hoe meer men er vindt, en er is dan ook een ware stortvloed aan studieverslagen. Er is in feite veel meer samenwerking en ouderwets "samen opschieten" dan tanden, bloed en klauwen, zelfs als de prijs een sappige maaltijd is. Wolven bijvoorbeeld jagen in langlevende groepen, en beschermen het gevangen voedsel tegen buitenstaanders. Individuen van lagere rang moeten wachten tot de dieren van hogere rang hun buik gevuld hebben, maar ieder krijgt zijn deel. Zelfs dieren van verschillende soort werken soms samen. Bernd Heinrich en zijn studenten ontdekten dat raven wolven opzettelijk naar karkassen leiden. De wolven scheuren het karkas uit elkaar, iets wat de raven niet zelf kunnen, en na de wolven doen de raven zich tegoed. Dezelfde samenwerking werd opgemerkt tussen raven en coyotes.

Frans De Waal betoogde dat neigingen als wederkerigheid, verdeling van beloning, en samenwerking niet beperkt zijn tot onze soort:

deze eigenschappen evolueerden bij andere soorten waarschijnlijk om dezelfde reden als waarom ze bij ons evolueerden - om individuen dezelfde voordelen te bieden zonder de groep te ondermijnen.
En met als voorbeeld voedselverdeling tussen capucijneraapjes en chimpansees:
dit mechanisme van wederkerigheid vereist dat vorige gebeurtenissen herinnerd worden, maar het vereist ook de kleuring van deze herinnering op zo'n wijze dat ze gunstige gezindheid veroorzaken. In onze soort noemen we deze kleuring "dankbaarheid", en er is geen reden om er een andere naam voor te verzinnen als we het over chimpansees hebben.

Robert Sussman, Paul Garber en James Cheverud onderzochten talrijke studierapporten over diergedrag, en kwamen tot hetzelfde besluit als Peter Kropotkin: samenwerking en wederzijdse hulp kunnen evenzeer tot reproductief succes leiden als concurrentie. Zoals Kropotkin stelden ze vast dat de overgrote meerderheid van sociale interacties tussen aapachtigen eerder op samenwerking gericht waren dan op strijd. Jane Goodall had net dezelfde conclusies getrokken nadat ze haar hele leven had besteed aan de bestudering van wilde chimpansees, en Marc Bekoff stelde hetzelfde vast voor sociaal levende carnivoren. Samenwerking kan gaan om bescherming, of om indringers weg te houden. Andere dieren lossen elkaar af bij het eten. Meerkatten bijvoorbeeld staan om beurten op wacht. Ook talrijke vogelsoorten (bijvoorbeeld de vink coccothraustes vespertinus) wisselen lossen elkaar af met wachthouden terwijl de anderen eten. Andere dieren werken samen voor de verzorging van jongen. Ratten verzorgen jongen gemeenschappelijk, tot zelfs het zogen. Andere dieren verzorgen elkaars vacht (grooming.) Mannelijke dolfijnen vormen sociale groepen (super-alliances)om toegang te verkrijgen tot de vrouwtjes. Primaten en hoefdieren vormen langdurige sociale netwerken.

Uiteraard zijn er altijd valsspelers, bedriegers en zwartrijders. Dat zijn echter de uitzonderingen: de norm is samenwerking.

Samenwerking kan plaatsvinden tussen individuen die niet verwant zijn, in grote netwerken als scholen van vissen, in families als die van prairiehonden of kleine hechte groepen zoals wolvenroedels, enzovoort. Samenwerking kan ook plaatsvinden binnen één organisme (cellen en organen), in een samenleving of in een ecosysteem. Samenwerking kan gelijktijdig zijn, zoals in een groepsjacht, of om beurten, zoals wanneer apen elkaar vlooien. Samenwerking kan enkele seconden duren of jaren.

Wat moeten we besluiten uit de verspreiding van samenwerking onder zoveel soorten? Op het eerste zicht past het niet in de darwinistische visie, waarbinnen evolutiebiologen dikwijls naar concurrentie en agressie hebben gezocht. Maar het is duidelijk dat het competitieve evolutieproces niet enkel medogenloze agressieve strategieën beloont. Evolutie leidt ook tot strategieën van samenwerking en mildheid. Zo stelt Martin Nowak, directeur van het Program for Evolutionary Dynamics aan Harvard university, dat samenwerking één van de drie basisprincipes van evolutie is, samen met mutatie en selectie:

[samenwerking] is het geheim achter de openheid van het evolutieproces. Misschien is het merkwaardigste aspect van evolutie wel dat het samenwerking kan voortbrengen in een competitieve omgeving.

Samenwerking kan enkel moreel genoemd worden als ze gebruik maakt van herinnering en emoties.

Herinnering en emoties

Dieren hebben breinen die toelaten verleden en heden te verbinden, en te gokken over de toekomst. Even belangrijk is het inschatten van de intenties en emoties van andere dieren, om het even of het vrienden of vreemden zijn. Ze moeten groepsgenoten zien als aparte persoonlijkheden, met elk hun eigen mentale toestanden (mentalizing). De geestelijke capaciteiten die voor dit alles nodig zijn, zijn dezelfde die gebruikt worden tijdens onderlinge competitie, vooral als er complexe misleiding en manipulatie bij komt kijken. Jean Decety en collega's hebben geopperd dat deze eigenschappen (social cognition) geëvolueerd zijn omdat het indivudu met deze eigenschappen het best zal overleven in een groep.

Er bestaat geen twijfel over dat dieren de geestelijke eigenschappen bezitten om samen te werken, gezien de alomtegenwoordige samenwerking in de natuur. Er is wel discussie over in hoeverre dieren de cognitieve capaciteiten bezitten voor meer complexe vormen van samenwerking. Daarbij kan men niet als vanzelfsprekend aannemen dat aapachtigen deze eigenschappen meer bezitten dan andere soorten. Trouwens, ook binnen de primaten is er opvallend verschil. Een bonobo die voedsel bemachtigt is geneigd het te delen, terwijl chimpansees zich eerder zullen terugtrekken. In een studie van Annemieke Cools, Alain Van Hout en Mark Nelissen (hier bekend om zijn boek De Brein Machine) wordt de vraag gesteld of verzoening en vriendschappen wel zo typisch zijn voor primaten alleen. Hun studie toont aan dat honden over verzoenende mechanismen beschikken die gewaagd zijn aan die in primaten. Gelijkaardige resultaten over hyena's (Drea en Frank) en raafachtigen (Heinrich) vonden maar moeilijk een uitgever. Beter verging het een gelijkaardige studie van Rutte en Taborsky over sociale relaties bij ratten.

Empathie

Empathie of inlevingsvermogen is de mogelijkheid de emoties van anderen waar te nemen of aan te voelen. Empathie mag men niet verwarren met sympathie: sympathie is "voelen voor", empathie is "voelen met". Er is een toenemende literatuur die aannemelijk maakt dat bijvoorbeeld knaagdieren empathie kennen. Experimenten door Dale Langford en collega's hebben aangetoond dat muizen die een soortgenoot in pijn zien, zelf gevoeliger worden voor pijn. Er is sterk bewijs dat empathie essentieel is bij het regelen van het sociale leven van talrijke dieren. Ervaren onderzoekers van diergedrag als De Waal en Panksepp zijn nauwelijks verbaasd over deze resultaten, die impliceren dat veel dieren bekwaam zijn tot wat bij mensen "moreel gedrag" genoemd wordt.

Empathie is een evolutionaire aanpassing. Emotionele besmetting tussen dieren kan iedereen waarnemen: als één vogel wegvliegt volgt de andere, als een hond begint te blaffen blaft de rest mee. Vluchten of verdedigen kan niet snel genoeg gebeuren, en een klein signaal uit de groep is voldoende om allen te alarmeren. Maar andere emoties kunnen zich even snel verspreiden. Sociaal spel lijkt soms wel epidemisch. Als een hond andere honden ziet spelen (of het typische geluid hoort dat ze maken) mengt hij zich dikwijls spontaan in het gebeuren. Matthew Gervais en David Sloan Wilson menen dat de menselijke lach een belangrijk middel van "speelse emotionele besmetting" is. Marina Davila Ross en haar collega's bestudeerden spelende orang-oetans en bemerkten dat de "glimlach" van orang-oetans aanstekelijk werkt. Volgens Roger Highfield betekent dit dat zulke gelaatsuitdrukkingen (de basis van veel emoties) van gemeenschappelijke voorouders stammen en dus miljoenen jaren oud zijn.

Emotioneel verband tussen individuen kan leiden tot empathie, wanneer de waarnemer "spijt" gaat voelen voor de emotionele toestand die hij waarneemt. Dit kan leiden tot altruisme of zelfs vertrouwen, omdat vertrouwen vereist dat men inzicht heeft in de emoties van de ander. Natuurlijk kan de kennis van de emoties van anderen ook leiden tot manipulatie, bedrog en zelfs wreedheid.

Empathie heeft ook een kostenplaatje. Jean Decety en Philip Jackson menen dat als we anderen in moeilijkheden zien en daardoor droefheid en mogelijk angst voelen, belasten die emoties ons brein, en kunnen zelfs afleiden van belangrijker dingen. Bij angst, paniek en droefheid maakt het brein cortisol aan, het "stress hormoon". Dit heeft tot gevolg dat de bloeddruk stijgt, de spijsvertering stopt, en de hartslag versnelt. Te veel cortisol verblindt en verzwakt. Ook de ontvanger van empathie kan nadelen ondervinden. Hij zou kunnen trachten een vangst verborgen te houden, of angstig worden tijdens een confrontatie over dominantie. Empathie schept een transparante samenleving van dieren waar eerlijke communicatie norm wordt.

Michael W. Fox onderzocht gelaatsuitdrukkingen bij wolven. Wolven zijn veruit de sociaalste van de hondachtigen, en hebben ook de beschikking over meer gelaatsuitdrukkingen, en dus vermoedelijk ook meer morele capaciteit en empathie.

Het onderzoek naar empathie is nog jong, en sommige geleerden blijven sceptisch. Toch bestaan er erg veel publikaties die tot nadenken stemmen en bewijzen voor empathie bij allerlei zoogdieren: olifanten, zeezoogdieren, ratten en muizen, sociale carnivoren, en primaten. Zonder twijfel zal verder onderzoek naar sociale zoogdieren een schat aan gegevens opleveren. Toen Carolyn Zahn-Waxler een onderzoek deed naar de invloed van het verdriet van ouders op hun kleine kinderen, bleken de reacties van de huisdieren net even interessant. Als een ouder deed alsof ze snikte, toonde de hond dikwijls meer bezorgdheid dan de kinderen.

Darwin meende al dat de verschillen tussen mensen en dieren, ook morele, verschillen in gradatie zijn, niet in aard. Na meer dan een eeuw stilte wordt deze gedachte nu weer opgepikt.

In 1959 reeds schreef Russell Church een artikel met titel "Emotionele Reacties van Ratten op de Pijn van Anderen." In zijn experiment had een rat toegang tot een hendeltje dat voedsel produceerde. In een kooitje ernaast zat een rat op een electrisch verbonden rooster. Als de eerste rat het hendeltje indrukte kreeg ze voedsel, maar de andere rat een electrische schok. Church stelde vast dat ratten niet op het hendeltje drukten, als ze zagen dat de andere rat een schok kreeg. Een andere vroege studie, "Altruisme bij de Albino Rat" uit 1962, van George Rice en Priscilla Gainer, toonde dat ratten elkaar helpen als ze in moeilijkheden zitten. Wanneer een rat werd opgehangen in een harnas, lieten andere ratten het diertje neerzakken door op een hendeltje te drukken. Na deze experimenten duurde het tot Langford (hierboven) eer er verder onderzoek naar empathie bij knaagdieren gedaan werd. Een verwant onderzoeksterrein is het zogenaamde "getuigeneffect" (witnessing effect.) Jonathan Balcombe, Neal Barnard en Chad Sandunsky onderzochten talrijke studierapporten waarin aangetoond was dat muizen en ratten verhoogde bloeddruk en versnelde hartslag vertonen als ze getuige zijn van de onthoofding van een soortgenoot. Getuigeneffecten zijn ook aangetoond voor apen en natuurlijk mensen.

Onderzoek naar empathie bij dieren zijn dikwijls gruwelijk, en het is ten diepste ironisch dat we pijn veroorzaken bij dieren om ze te testen voor empathie, terwijl goede evolutionaire biologie ons gewoon zegt dat ze het bezitten. Het is ook ironisch dat de dieren die het meest gebruikt worden - muizen en ratten - omdat ze eenvoudiger hersenen hebben dan primaten, meer kunnen bevatten dan men vermoedde.

Het grootste deel van de onderzoeken naar empathie gaan natuurlijk over primaten. In 1964 toonden Stanley Wechkin, Jules Masserman en William Terris dat een hongerige rhesusaap geen voedsel nam als daardoor een andere rhesusaap een electrische schok kreeg. Omstreeks dezelfde tijd haalde Harry Harlow pasgeboren rhesusaapjes weg bij hun moeder, en liet ze de keus tussen een namaakmoeder gemaakt uit zacht doek die geen voedsel had, en een namaakmoeder uit ijzerdraad die wel melk gaf. Hun verlangen naar affectie was groter was dan hun verlangen naar voedsel. Bovendien bleek deze affectie belangrijk voor de ontwikkeling van sociale intelligentie.

Onder empathie valt ook het hierboven vermelde onderzoek naar belangeloos helpend gedrag bij dianameerkatten.

Troostgedrag is vastgesteld bij mensapen, maar niet bij de overige primaten. Volgens Frans De Waal is dit een merkteken voor cognitieve empathie. Orlaith Fraser, Daniel Stahl en Filippo Aureli hebben aangetoond dat troostgedrag onder chimpansees in gevangenschap stressbestrijdend werkt bij slachtoffers van agressie (stressgedrag is zichtbaar als zelf-krabben en zelf-vlooien.)

Voor empathie zijn spiegelneuronen en spoelneuronen (spindle neurons, genoemd naar hun langgerekte vorm) belangrijk. Spiegelneuronen, die doen meebeleven wat een dier ziet, vormen een soort toegang tot empathie. Spoelneuronen verwerken sociale emoties.

Spoelneuronen werden ook ontdekt in zeezoogdieren, waarvan bekend is dat ze sociaal leven. Onderzoek door Kathleen Dudzinski en Toni Frohoff heeft hun grote capaciteit voor empathie aangetoond. Joyce Poole, die Afrikaanse olifanten bestudeerde gedurende tientallen jaren, zag hoe een oude olifant die slecht te been was werd bij een aanval verdedigd werd door haar omgeving. Ian Douglas Hamilton, die meer dan veertig jaar olifanten observeerde, heeft gelijkaardige voorvallen gezien, bijvoorbeeld een hele kudde olifanten die zich inhield omdat één van hen moeilijk vooruitkwam. Gedurende vijftien jaar werd hij geholpen en gevoed door de kudde.

Empathie is sterker in een nauwe kring, maar beperkt zich niet noodzakelijk tot de eigen soort. Olifanten rouwen om hun doden en tonen bijzondere belangstelling voor hun beenderen, iets wat enkel bij mensen en olifanten voorkomt. Als olifanten en rhinocerossen een groep vormen, rouwen de olifanten ook voor een dode neushoorn. En de meest treffende, maar lang niet enige, relatie is natuurlijk die tussen mens en huisdier.

Recht en billijkheid

Een ultimatum game [zie ook mijn post hier] is een spelexperiment waarbij één speler een bedrag moet verdelen tussen hemzelf en een andere speler. Als de andere speler zijn deel aanvaardt, krijgen beide hun winst. Als de andere speler het gekregen deel afwijst omdat het te weinig is, krijgt geen van beide iets. Toen dit ultimatum game gespeeld werd met menselijke proefpersonen, bleek dat de ontvangers een aanbod van minder dan 20% meestal weigerden. Dat was een verrassing, want tot dan had men steeds aangenomen dat mensen "rationeel" omspringen met geld, en dus liever een beetje zouden krijgen dan helemaal niets.

Wanneer Keith Jensen hetzelfde experiment deed met chimpansees en rozijnen, bleek dat deze dieren wél "rationeel" handelden: ze aanvaardden elk aantal rozijnen, hoe klein ook. Jensen trok de conclusie, dat chimpansees geen gevoel voor recht hebben.

De primatoloog Sarah Boysen kwam tot een ander besluit. In het werkelijke leven, zegt Boysen, reageren chimpansees kort en bondig op onbillijkheid, en gaan over tot de orde van de dag. Dit standpunt wordt ondersteund door onderzoek van Frans De Waal en Sarah Brosnan met chimpansees en kapucijneraapjes, en door onderzoek van Friederike Range en collega's stelde hetzelfde vast met huishonden.

Recht en billijkheid zijn een verzameling verwachtingen over wat iemand krijgt of hoe iemand behandeld zal worden. Daaronder hoort een verwachting van gelijkheid, wederkerigheid, vertrouwen etc....

Het is een redelijke gevolgtrekking uit de evolutietheorie, dat zulke emoties niet enkel bij mensen voorkomen. Recent onderzoek van Francys Subiaul en collega's toonde aan dat chimpansees in gevangenschap oordelen of bezoekers bereid zijn hun voedsel te delen met hun gezelschap.

Moraal is als een sociaal spel: beide zijn denkbeeldige constructies met regels, en wie zich er niet aan houdt wordt bestraft. Zo biedt spelen inzicht in opvattingen over recht en billijkheid in de hele samenleving. Als dieren spelen gebruiken ze sociale gedragspatronen: jagen, vechten, vluchten etc... Spel vindt men bij placentadieren, vogels en zelfs schaaldieren. Niet alle dieren spelen, maar het is wel opmerkelijk dat spelen opvallend veel voorkomt bij dieren met moraal - de dieren waar Wild Justice over gaat. Spel is een natuurlijke aanpassing die belangrijke functies vervult:

  • sociale binding,
  • inoefenen van vaardigheden voor de jacht etc.,
  • inoefenen van sociale normen, vertrouwen en wederkerigheid,
  • leren snel en gepast reageren op onverwachte situaties,
  • leren elkaars intenties te taxeren,
  • communicatietraining,
  • fysieke training,
  • cognitieve training.
Het is een soort "brainfood" dat het ontstaan van nieuwe hersencellen en verbindingen stimuleert.

Hebben dieren een moraal?

Darwin was van mening dat dieren met sociale "instincten" een geweten kunnen ontwikkelen. Hij schreef in The Descent of Man:

Naast liefde en sympathie beschikken dieren over andere kwaliteiten die verband houden met de sociale instincten, die wij moreel zouden noemen.

Dieren, meende Darwin, kunnen keuzes maken tussen verschillende acties, en zijn bij gelegenheid in innerlijke tweestrijd. Een hond kan net als een mens controle uitoefenen over zijn impulsen, en bijvoorbeeld geen voedsel stelen als zijn baasje weg is. De auteurs van Wild Justice verdedigen dat dit een moreel oordeel is gebaseerd op geweten. "Moraal" en "geweten" hebben in alle soorten gemeen dat ze gericht zijn op de sociale groep. Ze verschillen volgens de soort, terwijl geen enkele soort vrij is van een zekere mate van conditionering.

Om biologisch bruikbaar te zijn dient het begrip "moraal" te worden losgemaakt van de typisch menselijke routine. Zo bekeken geven talrijke andere dieren, op hun eigen wijze, blijk van samenwerking, altruisme, vertrouwen, sympathie, troostend gedrag, gevoel voor billijkheid ...

Menselijke moraal is uniek. In menselijke samenlevingen is abstract denken over wie waarop recht heeft van vitaal belang. Dit is een specialisatie of verfijning van het rechtsgevoel, dat veel complexer is bij mensen dan bij dieren. Maar dit betekent nier dat dieren geen zin voor billijkheid hebben, of zich daar niet naar gedragen.




Tags: Bewustzijn, Ethiek, Evolutie, Wetenschap

Zie ook het archief