hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Waarom Europa (2 - Jack Goldstone)

19 juni 2012


rt N

iemand kan ontkennen dat Europa vandaag erg verschilt van andere "werelddelen", maar de vraag hoe dat komt heeft meestal tot antwoorden geleid die niet zozeer interesse tonen in daadwerkelijke historische ontwikkelingen, maar in bewijzen voor de superioriteit van Europeanen en hun aard of religie.

Hier een samenvatting van het meest recente overzicht van de stand van de wetenschap hieromtrent: Why Europe? The Rise of the West in World History 1500-1850 van de Amerikaanse socioloog en politicoloog Jack Goldstone (Mc Grawhill 2009).

Gedurende de laatste twaalf jaar heeft een groep jonge economische en sociale historici nieuwe en verrassende argumenten naar voren gebracht.

In plaats van de opkomst van het Westen te beschouwen als een lang proces van graduele vooruitgang binnen Europa, terwijl de rest van de wereld stilstond, hebben ze deze geschiedenis omgekeerd. Ze stellen dat samenlevingen in Azië en het Midden-Oosten de wereldleiders waren op gebied van economie, wetenschap, technologie en ontdekkingsreizen, tot ongeveer AD 1500.

§

Tegen de tijd dat Europa aan haar Renaissance begon, zeggen deze wetenschappers, lag Europa achter op talrijke hoogontwikkelde beschavingen elders in de wereld, en het duurde tot AD 1800 voor de Aziatische beschavingen werden ingehaald en voorbijgestoken.

Sommige van deze geleerden vragen zich af, of de opkomst van het Westen geen relatief kort en voorbijgaand fenomeen is, nu andere samenlevingen het Westen bijbenen of voorbijsteken in hun economische groei.

De historici waarvan sprake zijn onder meer Kenneth Pomeranz, R. Bin Wong, Jack Goldstone, James Lee, Dennis Flynn, Robert Marks, Andre Gunder Frank, James Blaut, John Hobson, Jack Goody en vele anderen. Zo worden soms de "California School" genoemd, omdat velen van hen hebben gewerkt aan Californische universiteiten.

De moderne wereld bekwam haar religies, haar cijfers en rekenkunde, een groot deel van de fundamentele principes van mathematica en scheikunde, en veel gebruiksgoederen als katoenen kledij, porselein, papier en boekdrukken, uit Azië en Afrika.

De wereld omstreeks 1500: de rijkdom van het Oosten

In 1500 was Europa niet het rijkste deel van de wereld. Europeanen hadden sommige technologieën uitgevonden en andere overgenomen, waaronder klokken, buskruit, zeilschepen, maar ze waren verbijsterd door de rijkdom, de handel en de productiecapaciteiten die ze ontmoetten als ze andere centra van beschavingen bezochten, zowel in het Midden-Oosten en in het zuiden en oosten van Azië als in de Nieuwe Wereld.

Op dat ogenblik was de landbouwproductie in Azië gemiddeld groter en het vakmanschap hoger ontwikkeld dan in Europa, en het aantal producten was gevarieerder en omvatten in Europa zeer gewilde zijde- en katoenweefsels, porselein, koffie, thee en kruiden.

De ontdekkingsreizen van Columbus en anderen - hoewel ook gedreven door nieuwsgierigheid en bekeringsdrang - waren bedoeld om Europa toegang te verschaffen tot de rijkdommen van Indië en China.

Wetmatigheden in veranderingen in de wereldgeschiedenis

We hebben de neiging veranderingen in de geschiedenis te zien als vooruitgang: mensen worden rijker en geleerder, en steden worden rijker en groter. Maar dat is niet altijd het geval.

Veranderingen in de wereldgeschiedenis gaan in cycli. Uitbarstingen van vooruitgang worden gevolgd door het omgekeerde of door lange periodes van stagnatie. Dit was zo in Europa en in alle grote beschavingen, gedurende het grootste deel van de geschiedenis.

Sommige geleerden hebben periodes van vooruitgang in het Westen voor 1700 op gebied van sociale verandering, technologie of bevolkingscijfers aangeduid als de oorzaak van de opkomst van het Westen. In een bredere context geplaatst worden zijn deze bewegingen echter onderdeel van zulke cycli, die rond dezelfde tijd plaatsvonden in andere beschavingen.

De grote religies en sociale verandering

De grootste religies van de wereld hebben veel oorzaken en denkbeelden gemeen. Als religie een effect had op de economische groei, dan was dat niet omdat de ene religie beter geschikt is voor economische groei dan de andere. Het zijn veeleer de tijden en plaatsten waar verschillende religies met elkaar in contact kwamen die opvallen door meer vernieuwing en groei. Die groei dreigde gefnuikt te worden wanneer het gezag één enkele rigide orthodoxie oplegde.

Handel en verovering

Chinese en Indiase kooplui controleerden de handel in Azië voor het grootste deel van 1500 tot 1800. Europeanen wisten zich hiertussen te dringen door de ontdekking en verovering van de Amerika's, en het ruilen van Amerikaans zilver voor Aziatische producten. Gedurende deze eeuwen bouwden de Europeanen aan een groot handelsnetwerk met Afrika en hun Amerikaanse kolonies. Maar de Atlantische handel in slaven, suiker eb katoen vervingen de Europese nood aan Aziatische goederen niet, die in tegendeel nog toenamen. Bijgevolg wierp Europa zich nog agressiever op de verovering van delen van Azië, met succes in het Indische Mughal keizerrijk dat uiteenviel door interne conflicten, en in Zuidoost Azië dat altijd uit talrijke kleine staten had bestaan. China en Japan, de twee belangrijkste Aziatische staten omstreeks 1700, bleven echter de Oost-Aziatische handel domineren en hielden de Europeanen op afstand in hun meest afgelegen aanloophavens.

Gezinsleven en levensstandaard

Westerse geleerden hebben lang geloofd dat Europeanen zelfs voor de ontwikkeling van de moderne industrie reeds een hogere levensstandaard bereikt hadden dan mensen in andere delen van de wereld, terwijl China en India overbevolkt waren door hopeloos verarmde massa's. Sommige geleerden baseerden hun argumenten aan de opvatting dat de Europese bevolkingsdynamiek verschillend was van die in China of Indië.

Anderen wezen op de eerste commerciële successen van Venetië en Firenze in Italië, of Antwerpen en Amsterdam in de Nederlanden. Weer anderen argumenteerden dat Europa werd aangedreven in de competitie door verhoogde landbouwproductiviteit of stijgende reële lonen.

De meest recente data tonen echter aan dat al deze veronderstellingen fout waren. Westerse geleerden begrepen niet dat de Aziatische en Westerse familiebanden, hoewel verschillend, tot dezelfde bevolkingsgroei leidden. Evenmin zagen ze de aanhoudende commerciële en urbane successen van Aziatische samenlevingen.

De meest recente gegevens over levensverwachting, inkomens en productiviteit tonen groter verschillen in voorspoed binnen Europa dan tussen Europa en China. In feite waren de gemiddelde inkomens en productiviteit tot 1800 waarschijnlijk hoger in het grootste deel van Azië dan in Europa, waarbij de meest geavanceerde delen van Europa (Engeland en Nederland) slechts net het niveau van China haalden.

Staten, wetten, belastingen en revoluties

Als Europeanen geen voordelige materiële vertrekpositie hadden, dan hadden ze misschien het voordeel van een betere bestuursvorm?

Sommige geleerden hebben beweerd dat competitie tussen Europese staten ertoe leidde dat belastingen en prijzen laag gehouden werden, en eigendomsrechten beter gewaarborgd. Dit zou tot snellere economische groei geleid hebben die Europa de mogelijkheid bood Azië te onderwerpen, terwijl elders grote keizerrijken en willekeur de groei blokkeerden. Waar Europese leiders te hoge belastingen hieven of te willekeurig regeerden (zoals in het zeventiende-eeuwse Groot-Brittannië of het achttiende-eeuwse Frankrijk) zouden dan revoluties ontstaan die vrijheid brachten.

In feite waren de revoluties van niet het resultaat van unieke politieke processen, maar maakten ze deel uit van lange golven van staatsvorming en sociale conflicten die in Azië bestonden zoals in Europa.

Bovendien had het achttiende-eeuwse Groot-Brittannië de hoogste belastingen en prijzen van Europa, wat niet belette dat het de economische leider was in de jaren 1800.

Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw werden Europa en Azië beide gekenmerkt door een patroon van sterkere staten, ten koste van lokale elites, en politieke onrust te beantwoorden met religieuze dwang. De grote uitzondering was Groot-Brittannië, waar in de loop van de late zeventiende eeuw en de vroege achttiende eeuw, een sterker parlement, algemene wetten, religieus pluralisme en verdraagzaamheid een ongewone staat voortbrachten.

Versnelde verandering: was er een industriële revolutie?

In de zeventiende eeuw nam de technologische vooruitgang plots toe in Europa, en versnelde, vooral in Groot-Brittannië, in de achttiende en negentiende eeuw. Dit leidde niet onmiddellijk naar een betere levensstandaard, omdat het meer dan een eeuw duurde voordat de vernieuwing zich verspreid had over hele economie.

Maar beginnend met enkele industrieën (steenkool, ijzerwerk, pottenbakkerij, metaalproducten en katoenspinnerij) vooral geconcentreerd in Midden-Engeland en de Schotse laaglanden, werden nieuwe energiebronnen aangeboord en nieuwe productieprocessen ingevoerd. Tegen het einde van de negentiende eeuw hadden deze nieuwe energiebronnen en processen er voor gezorgd tot productieverhogingen terwijl de kosten tien of honderd keer kleiner werden.

De uitvinding van de stoommachine, spoorwegen, stoomschepen, en een hele reeks productieprocessen en -machines waren de meest in het oog springende vernieuwingen, maar ze waren slechts een klein deel van de duizenden nieuwe uitvindingen die het economische leven stapsgewijs hervormden. Wat werkelijk veranderd was, was dat vernieuwing zelf algemeen, gewoon, zelfs verwacht en vanzelfsprekend werd. Een cultuur van vernieuwing gaf mensen de gedachtewereld en de materiële middelen om de manier van werken naar eigen inzicht te veranderen.

Aan het begin van de negentiende eeuw was de cultuur van vernieuwing wijdverspreid in Groot-Brittannië, en tegen het einde van de eeuw had hij zich verspreid over heel Europa.

Het pad van de wetenschap in Azië en Europa

In 1500 was de meest vooruitstrevende wetenschap te vinden in Azië, in het bijzonder in de islamitische landen. In de daaropvolgende twee eeuwen zagen de Aziatische samenlevingen geen grote versnelling van wetenschappelijke vooruitgang, noch een fundamentele doorbraak naar nieuwe denkwijzen. Vanaf 1600 werden de wetenschappen zelfs in toenemende mate beperkt door de staatsgeleide dwang van de traditionele religies.

Aan de andere kant had in Europa de ontdekking van de Nieuwe Wereld en nieuwe ontdekkingen over de planeten door middel van telescopen, de traditionele ideeën over de wereld overwonnen, en brachten geleerden tot het ontwikkelen van nieuwe kennissystemen.

Europeanen bouwden verder op islamitische ontdekkingen op gebied van rekenkunde en experimentele wetenschap, maar na 1500 gingen ze verder en gebruikten deze methodes om de oude Griekse en middeleeuwse opvattingen over de natuur te testen en te verwerpen.

Door Aristoteles opzij te schuiven ontwikkelden Europeanen nieuwe ideeën over en metingen van de atmosferische druk, d bewegingen van de planeten, warmte en mechanische aandrijving. Bovendien trokken vooral in Groot-Brittannië publieke experimenten en demonstraties met wetenschappelijke instrumenten massa's geïnteresseerde toeschouwers.

Door deze popularisering van de laatste wetenschappelijk onderzoek, werden vakmannen en instrumentenmakers "engineers", die hun eigen experimentele programma's ontwikkelden voor de verbetering van mijnbouw, productie en vervoer. Hun veruit belangrijkste streven was de ontwikkeling van praktisch bruikbare stoommachine, die hitte konden omzetten in nuttige arbeid. Samen met zakenlui die de laatste uitvinden en kennis hoopten te kunnen toepassen, hervormden ze de Britse industrie en startten ze de industriële revolutie.

De opkomst van het westen: een tijdelijk verschijnsel?

De belangrijkste boodschap van dit boek is dat de opkomst van het Westen op geen enkele manier steunt op algemene Europese superioriteit over andere werelddelen of beschavingen. Zes factoren hebben ertoe geleid dat Europa een verschillend pad heeft genomen:

  1. De ontdekking van de nieuwe wereld aan de andere zijde van de Atlantische oceaan, en van nieuwe hemellichamen bracht de Europeanen ertoe het wetenschappelijk gezag van oude teksten, religieuze en andere, te verwerpen.
  2. De Europeanen ontwikkelden een wetenschappelijke houding van onderzoek en analyse.
  3. In navolging van Francis Bacon's ideeën werd toenemend belang gehecht aan de publieke demonstratie van wetenschappelijke experimenten en ontdekkingen. Dit opende de weg naar instrumentenmakers, ambachtslui, fabrikanten en handelaars, en verlegde uiteindelijk het religieuze en filosofische ideaal van zuivere kennis naar de praktische toepassing ervan door de zich nieuw vormende ingenieursstand.
  4. Nieuwe instrumenten onthulden bovendien steeds meer dingen die duizenden jaren verborgen waren gebleven. Dit veroorzaakte een ommekeer in het denken: bewijs door observatie met instrumenten ging zwaarder wegen dan waarnemingen met de naakte zintuigen, of dan logica en wiskunde.
  5. Een klimaat van tolerantie en pluralisme, veeleer dan onderwerping aan door de staat opgelegde orthodoxie, en de steun van de anglicaanse kerk voor de nieuwe wetenschap. De Britse "Toleration Act" van 1689 opende de deuren voor andersdenkenden, en deze mix vormde een vruchtbare bodem voor nieuwe ideeën. Ook al werkte deze tolerantie niet altijd smetteloos - aan het einde van de achttiende eeuw vernielden bendes voor "kerk en koning" het laboratorium van Joseph Priestley - maar in het algemeen was het klimaat gunstig voor de nieuwe wetenschap.
  6. Nauwe sociale relaties tussen ondernemers, wetenschappers, ingenieurs en ambachtslui. Kennis werd niet langer beperkt tot een kleine elite van rijken en hovelingen. De Royal Society trok iedereen aan die een bijdrage leverde aan de nieuwe wetenschap, niet enkel beroepswetenschappers.

Aangezien zoveel verschillende factoren moesten samenkomen om de industriële revolutie te starten, is het niet verbazend dat dit maar één keer is voorgevallen. Als bepaalde factoren niet waren samengekomen in Groot-Brittannië, had alles anders uit kunnen pakken. Als Francis Bacon zijn juridische loopbaan niet had moeten opgeven omdat hij in ongenade was gevallen, had hij misschien nooit zijn pleidooi voor publieke demonstraties opgeschreven. Als James II niet door Willem III overwonnen was, was het misschien nooit tot dezelfde religieuze tolerantie gekomen. Daarom moeten we spreken over een contingent proces: iets wat niet onvermijdelijk was, en zelfs niet hoefde te gebeuren.




Tags: Actueel, Ethiek, Pacifisme, Samenleving, Wetenschap, europa

Zie ook het archief