hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Kropotkin over oorlog

05 september 2012


rt H

ieronder een lang citaat uit De staat: zijn rol in de geschiedenis en in den modernen tijd van Peter Kropotkin, (Bibliotheek voor ontspanning en ontwikkeling, zonder jaargang maar vermoedemijk iets later dan 1912, p.138.)

Op het eerste zicht lijkt de tekst verouderd. Niet enkel de spelling, maar ook haar draagwijdte: vinden we het niet lachwekkend in het atoomtijdperk dat iemand het aantal kogels per vierkante kilometers berekent om de dodelijkheid van oorlog aan te tonen?

Maar het heeft nog altijd zin de gedachtegang van Kropotkin te volgen, en uit te breiden naar onze tijd. Wat hij veroordeelde is alleen maar verder gegroeid tot waarlijk monsterlijke afmetingen. En zijn theoretische beschouwingen over de rol van de staat en de oorlogsindustrie werden daarbij alleen maar bevestigd.

Helaas heeft oorlog nog altijd zijn verdedigers als logische "voortzetting van de politiek met andere middelen" - iets wat slechts denkbaar is voor wie gevoelloos is voor leed als het maar anderen overkomt.

§

Peter Kropotkin: de oorlog en de industrie

Laat ons nu wat dieper afdalen en zien hoe de staat in de moderne industrie een heele klasse van menschen heeft gevormd, die er direkt belang bij hebben om van de naties militaire kampen te maken, die klaar staan om zich op elkander te werpen.
Op dit oogenblik bestaan er groote industriëen die millioenen menschen bezig houden en die alleen bestaan van het maken van oorlogsmaterieel; de eigenaren van die fabrieken en bun geldschieters hebben er dus allen belang bij om oorlogen voor te bereiden en de vrees voor oorlogen, die zullen uitbarsten, te hand-haven.
Het is hier niet te doen om het uitschot — fabrikanten van vuurwapens van slechte kwaliteit, sabels van slechte soort en revolvers die telkens ketsen, zooals men er heeft in Birmingham, Luik. enz. Deze tellen bijna niet meer mede, ofschoon de handel van deze wapenen, door de exporteurs gedreven die spekuleeren op de koloniale oorlogen, er reeds zeker belang bij heeft. Zoo weet men dat Engelsche kooplieden de Matabelen van wapenen voorzagen, toen zij zich gereed maakten in opstand te komen tegen de Engelschen die hun de lijfeigenschap oplegden. Later waren het Fransche fabrikanten en zelfs zeer bekende Engelsche fabrikanten, die fortuinen maakten, door wapenen, kanonnen en munitie te leveren aan de Boeren.
En op dit oogenblik zelfs spreekt men van hoeveelheden wapens ingevoerd door Engelsche kooplieden in Arabië — wat zal leiden tot opstanden van stammen, de plundering van eenige kooplieden en de Engelsche interventie, ten einde „de orde te herstellen" en eenige nieuwe "annexaties" te bewerkstelligen.
Deze kleine feiten overigens tellen niet meer mee. Men weet heel goed wat het bourgeois "patriotisme" waard is en men heeft onlangs veel ernstiger dingen gezien. Zoo voorzag het Engelsche goud gedurende den laatsten oorlog tusschen Rusland en Japan de Japanners om de opkomende zeemacht van Rusland in de Stille Zuidzee te vernielen. Anderzijds verkochten Engelsche mijnmaatschappijen tegen hoogen prijs 300.000 tonnen steenkolen aan Rusland om het In de gelegenheid te stellen de vloot van Rodjestvensky naar het oosten te zenden. Twee vliegen in één klap: de mijnmaatschappijen in Wales maakten goede zaken en de financiers van Lombardstreet plaatsten hun geld tegen 9 à 10% in de Japansche leening en namen hypotheek op een grout deel der inkomsten van hun "waarde bondgenooten."

En dit alles zijn slechts kleinigheden van de duizenden zaken van denzelfden aard. Men zou al heele mooie dingen te hooren krijgen over de geheele wereld onzer regeerders, als de bourgeois hun geheimen niet goed moesten te bewaren.

Gaan we dan over tot een andere kategorie van dingen.
Men weet dat alle groote staten de vorming van groote privaatfabrieken begunstigden, die kanonnen, gepantserde schepen, ourlogsschepen van kleiner aimeting, bommen, kruit, patronen, enz. maakten naast hun arsenalen. Groote sommen werden door alle staten uitgegeven voor deze hulp-werkplaatsen, waar men heden de bekwaamste werklieden en ingenieurs vindt.
Nu is het duidelijk dat het van direkt belang is voor de kapitalisten die hun kapitalen plaatsten in die ondernemingen, om alt4d oorlogsgeruchten te onderhouden, om voortdurend te drljven tot bewapening, om als het noodig is paniek te zaalen. En dat doen ze dan ook werkelijk.
En als de waarschijnlijkheid van een Europeeschen oorlog op sommige tijden vermindert, als de heeren regeerders — ofschoon zelven als aandeelhouders geinteresseerd in de groote fabrieken van dit slag (Anzin, Krupp, Armstrong, enz.), evenals van spoorlijnmaatschappijen, kolenmijnen, enz. — als de regeerders zich soms bij de ooren laten trekken om de krijgstrompet te doen schallen, dan dwingt men hen daartoe, door de chauvinistische meening door de bladen te laten opwarmen of wel zelfs door oproeren voor te bereiden.
Is niet deze prostituee — de groote pers — daar om de geesten voor te bereiden op nieuwe oorlogen, om die welke waarschijnlijk zijn te verhaasten of minstens de regeeringen te noodzaken hun bewapening te verdubbelen of te verdriedubbelen?
Heeft men niet in Engeland gedurende de tien jaren die voorafgingen aan den oorlog der Boeren, de groote pers en vooral de geillustreerde pers, met sluwheid de geesten zien voorbereiden op de noodzakelijkheid van een oorlog „ten einde het patriotisme mee te doen herleven"? Met dat doel voor oogen sneed men pijlen van alle hout. Men publiceerde met veel lawaai romans over den aanstaanden oorlog, waarin men vertelde hoe de Engelschen eerst verslagen, een uiterste poging deden en eindigden de Duitsche vloot te vernietigen en zich te nestelen te Rotterdam. Een lord gaf bespottelijke sommen uit om een patriotisch stuk te laten opvoeren in heel Engeland. Het was te dwaas om zijn kosten te dekken maar het was noodzakelijk voor die heeren die in Afrika met Rhodes knoeiden ten einde zich meester te maken van de grondbronnen in de Transvaal en de zwarten te dwingen om er te werken.
Alles vergetende ging men zelfs zoover om den eeredienst — ja, dat was het! — van den erfvijand van Engeland, Napoleon I te doen herleven. En sinds dien tijd heeft men niet opgehouden in die richting te werken. In 1905 was 't zelfs bijna gelukt Frankrijk, toentertijd geregeerd door Clemenceau en Delcasse, te drijven tot een oorlog met Duitschland, de minister van buitenlandsche zaken in de konservatieve regeering van lord Lansdowne had beloofd de Fransche legerkorpsen te steunen met een Engelsch leger, dat naar het vasteland zou worden gezonden. Het scheelde zeer weinig op dat oogenblik of Delcassé, die aan die belachelijke belofte een waarde hechtte die zij zeker niet had, zou Frankrijk gesleept hebben in een noodlottigen oorlog.
In het algemeen kan men zeggen dat hoe meer wij vorderen in onze bourgeoisstaat-beschaving, hoe meer de pers, die ophoudt de uitdrukking te zijn van hetgeen men noemt de openbare meening, er zich op toelegt zelve die meening te fabriceeren door de vuilste praktijken.
De pers bestaat in alle groote landen uit twee of drie syndikaten van finantieele zakenmenschen, die de openbare meening maken zooals zij deze behoeven in het belang hunner ondernemingen. De groote bladen behooren hun toe en de rest rekent niet mee, die krijgt men voor bijna niets. Maar dat is nog niet alles: de kanker zit dieper.
De moderne oorlogen, dat is niet alleen de moord van honderdduizenden menschen in elken veldslag — een moord waarvan zij, die nooit de bizonderheden der groote veldslagen in den oorlog van Mantsjoerije en de wreede bizonderheden van het beleg en de verdediging van Port Arthur, heelemaal geen denkbeeld kunnen vormen. En toch de drie groote historische veldslagen: Gravelotte, Potomack en Borodino, die elk drie dagen duurden en waarin 90 à 100.000 menschen aan beide zijden gekwetst en gedood werden, waren slechts kinderspel in vergelijking met de moderne oorlogen.
De groote veldslagen hebben tegenwoordig plaats op een front van 50 A 60 kilometer, zij duren niet drie, maar zeven dagen (Lao-Yang), tien dagen (Moekden) en de verliezen bedragen aan elke zijde 100 à 150.000 man.
De verwoestingen door de kogels aangericht die met nauwkeurigheid gericht waren door de batterijen op 5, 6 en 7 kilometer wier opstelling men zelfs niet kan ontdekken, dank zij het rookloos kruit, zijn ongehoord. Men verdeelt op een ontwerp de wezenlijke deelen der stelling, door den vijand bezet in carré's en men koncentreert successief het vuur van alle batterijen op elk carré, om er alles te verwoesten wat men er vindt.
Terwijl het vuur van meerdere honderden vuurmonden gekoncentreerd is op een carré van één kilometer zijkant, zooals men bet tegenwoordig doet, blijft er geen ruimte over van 10 vierkante meter, die niet zijn kogel heeft ontvangen, geen streek die niet weggeschoven is door de brullende monsters gezonden van men weet niet waar. De krankzinnigheid maakt zich meester van de soldaten na zeven of acht dagen van dit vreeselijk vuur, en terwijl de kolonnes der bestormers — na 8 à 10 aanvallen teruggedreven maar telkens eenige meters minderde — komen eindelijk tot de vijandelijke loopgraven en dan begint de strijd, man tegen man. Nadat zij van weerszijden granaten en stukken pyroxiline (twee stukken pyroxiline, door een touw aan elkaar verbonden, werden door de Japanners gebruikt bij wijze van slinger) rolden de Russische en Japansche soldaten in de loopgraven van Port Arthur als wilde beesten door elkander, elkaar slaande met de kolven van het geweer, met het mes, elkander het vleesch uiteenscheurende met de tanden...
Maar de moderne oorlogen zijn niet alleen de moord, de krankzinnige moord, de terugkeer tot den wilden staat. Zij zijn ook de verwoesting op een kolossale schaal van den menschelijken arbeid en de gevolgen van deze verwoesting gevoelen wij onder ons onophoudelijk in vredestijd door een toeneming van de ellende onder de armen, evenwijdig loopende met de verrijking der rijken.
Elke oorlog is de vernieling van een geducht materieel dat niet alleen omvat het eigenlijk gezegd oorlogsmaterieel maar ook de noodzakelijkste dingen voor het dagelijksch leven: brood, vleesch, groenten, waren van allerlei soort, melkkoeien, leder, kolen, metalen, kleeren. Dit alles vertegenwoordigt den nuttigen arbeid van millioenen menschen gedurende tientallen jaren en dit alles zal vergooid, verbrand of te water gesmeten worden in enkele maanden. Maar dit wordt zelfs heden ter voorziening van de oorlogen verkwist.
En daar dit oorlogsmaterieel, deze metalen, deze provisies van te voren moeten worden bereid, leidt de aanstaande mogelijkheid van een nieuwen oorlog in alle industrieën tot schokken en krisissen die ons alien treffen. Gij, ik, wij allen gevoelen de gevolgen ervan in de kleinste bizonderheden van ons leven. Het brood dat wij eten, de kolen die wij verbranden, het spoorwegkaartje dat wij koopen, de prijs van elk artikel, hangen af van de geruchten, de waarschijnlijke kansen van een oorlog binnen korten tijd, gepropageerd door de spekulanten.



Tags: Ethiek, Pacifisme, Samenleving

Zie ook het archief