hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Jeugd van een Prins (Kropotkin)

10 september 2012


H

ier een uitgebreid citaat uit Memoires Van Een Revolutionair (Wereldvenster Baarn 1978) van Peter Kropotkin (1842-1921). In Kropotkins jeugd was lijfeigenschap nog gewoon in Rusland, ook op het landgoed waar de adellijke familie de zomer doorbracht. In zijn Memoires schrijft Kropotkin "en toch beseffen slechts weinigen, zelfs in Rusland, wat het lijfeigenschap in werkelijkheid betekende". Hoeveel meer zal dat vandaag het geval zijn in Europa!

De Memoires zijn daarom een belangrijke getuigenis van iets wat men zich vandaag niet meer kan voorstellen; iets wat nog bestaat in achterlanden overal ter wereld, en wat bestond doorheen de hele Europese geschiedenis tot verlichte denkers en opstandige bewegingen de democratieën tot stand brachten die we nu haast vanzelfsprekend vinden.

[Deze pagina bestaat ook in pdf of epub formaat]

§

Mijn Jeugd

I

Moskou is een stad waarvan de historische betekenis geleidelijk gegroeid is en tot op de dag van vandaag zijn nog overal de goed geconserveerde sporen te zien die de trage gang van de geschiedenis nagelaten heeft. Aan de overzijde van de rivier de Moskva ligt een wijk met brede, slaperige straten, en met saaie, grijze huizen met lage daken, waarvan de voordeur dag en nacht zorgvuldig gegrendeld blijft. Dit is altijd bij uitstek het domein van de middenstand geweest en het bolwerk van de naar buiten toe strenge, formalistische en despotische non-conformisten van het 'Oude Geloof'. De citadel ofte wel het Kremlin is nog steeds het bolwerk van kerk en staat, en op het immense plein dat zich ervoor uitstrekt, krioelt het van de winkels en warenhuizen. Eeuwenlang was dit een druk gonzend handelscentrum en ook nu nog vormt dit plein het hart van een uitgebreide binnenlandse handel, die zich uitstrekt tot in de verste uithoeken van het land. De Tverskaja en de Brug der Smeden zijn al sinds jaar en dag befaamd om hun chique winkels, terwijl in de wijken van de handwerkslieden, de Ploesjtsjicha en de Dorogomilovka, juist die kenmerken bewaard gebleven zijn die getuigen van het oproerig karakter van hun bewoners ten tijde van de Moskouse tsaren. Iedere wijk is een wereld op zichzelf, met een eigen gezicht en met een geheel eigen leven. Zelfs toen de spoorwegen hun intrede binnen de oude stad deden, waren de magazijnen en werkplaatsen toch alle aan de rand van de stad gesitueerd, evenals de zwaar beladen wagons en locomotieven.

Het meest karakteristieke deel van Moskou echter bevindt zich achter het Kremlin en bestaat uit een doolhof van schone, rustige, kronkelende straten en lanen tussen twee grote straten in, de Arbat en de Pretsjistenka en dit wordt nog steeds het Oude Adjudantenkwartier genoemd, de Staraja Konjoesjennaja.

Zo'n vijftig jaar geleden woonde in dit gedeelte de oude Moskouse adel, die sindsdien geleidelijk uitgestorven is en waarvan de namen zo vaak genoemd werden op de bladzijden van de Russische geschiedenis van voor Peter I, tot hij later verdween om plaats te makers voor de nieuwkomers 'van alle rangers en standen', in dienst van de stichter van de Russische staat. Verdrongen als ze zich voelden aan het hof van Sint-Petersburg trokken deze edelen van de oude stempel zich terug in het Oude Adjudantenkwartier in Moskou, of op hun schilderachtige landgoederen op het platteland in de omgeving van de hoofdstad. Met een zekere minachting en verstolen jaloezie keken ze neer op de bonte mengeling van families die 'uit het niets' opkwamen en bezit namen van de hoogste functies in de regering in de nieuwe hoofdstad aan de oevers van de Neva.

In hun jonge jaren hadden de meesten van hen hun geluk beproefd in staatsdienst, voornamelijk in het leger; maar om een of andere reden hadden ze de dienst al spoedig weer verlaten zonder tot een hogere rang te zijn opgeklommen. De meer geslaagden onder hen kregen een rustig erebaantje in hun geboortestad — tot hen behoorde mijn vader — terwijl de meeste anderen zich simpelweg terugtrokken nit de actieve dienst. Maar hoe verspreid ze tijdens hun loopbaan ook werden over het uitgestrekte oppervlak van Rusland, altijd slaagden ze er op een of andere manier in hun oude dag te slijten in een eigen huis in het Oude Adjudantenkwartier, in de schaduw van de kerk waar ze gedoopt waren en waar de laatste gebeden uitgesproken waren bij de begrafenis van hun ouders.

Nieuwe takken ontsproten aan deze oude stammen. Sommigen verwierven zich een zeker aanzien in verschillende delen van Rusland, anderen bezaten meer luxueuze huizen in nieuwe stijl gebouwd in andere delen van Moskou of Sint-Petersburg; maar de tak die verblijf bleef houden in het Oude Adjudantenkwartier, ergens vlakbij de groene, de gele, de rode of de bruine kerk, al naar gelang de familietraditie, werd beschouwd als de ware afvaardiging van de familie, ongeacht de positie die hij innam op de stamboom. Het ouderwetse hoofd van de familie werd met groot respect behandeld, zij het dan ook met lichte ironie, zelfs door de jongere vertegenwoordigers van diezelfde familie die hun geboortestad verlaten hadden voor een meer roemrijke carriere bij de Petersburgse wacht of in de hofkringen. Voor hen verpersoonlijkte hij de oude herkomst van de familie met haar tradities. In deze rustige straten, ver van het lawaai en de drukte van het zakelijke Moskou, hadden alle huizen een zelfde aanzien: meestal waren ze van hout met helder groene daken van plaatijzer; de buitenkant werd gepleisterd en opgesierd door pilaren en zuilengangen. Ze waren allemaal in vrolijke kleuren geschilderd. Vrijwel ieder huis had op zijn mint één verdieping met zeven of negen grote, kleurige ramen die uitkeken op de straat. Een tweede verdieping bevond zich alleen aan de achterzijde van het huis, dat uitzicht gaf op een ruime binnenplaats, omgeven door talloze kleine gebouwtjes, die gebruikt werden als keuken, stal, opslagplaats, koetshuis en als verblijfplaats voor bedienden en mensen uit het gevolg. Een grote poort gaf toegang tot deze binnenplaats en de koperen plaat erop droeg gewoonlijk de inscriptie 'Huis van die en die, luitenant of kolonel, en commandant' — zeer zelden `generaal-majoor' of een daarmee gelijkwaardige hoge burgerrang. Maar als er een wat luxueuzer huis in een van die straten stond, omgeven door een ijzeren hek, met een ijzeren poort, droeg de koperen plaat vast en zeker de naam van een 'Handelsraad' of `Ereburger' die en die. Dat waren indringers, zij die zich ongevraagd in deze wijk kwamen vestigen en daarom genegeerd werden door hun buren.

Men stond niet toe dat zich winkels vestigden in deze deftige straten, met uitzondering van een kleine groentenwinkel of kruidenier in een klein houten huisje dat bij de parochiekerk behoorde. Dan was het zo dat op de hoek ertegenover het wachthuisje stond van de politie, en overdag verscheen de agent, gewapend met een hellebaard, in de deuropening om met zijn ongevaarlijke wapen de officieren te groeten die langs kwamen; als het donker werd, trok hij zich terug in het huis en hield zich bezig met schoenlappen of het vervaardigen van een speciaal soort snuif waarvan de oudere bedienden uit de buurt gretige afnemers waren.

Het leven verliep rustig en vredig in deze Moskouse Faubourg Saint-Germain — althans zo leek het voor de buitenstaander. 's Morgens was er niemand te zien op straat. Tegen de middag verschenen de kinderen, onder de hoede van Franse huisleraren en Duitse kinderjuffrouwen, die hen meenamen voor een wandeling op de besneeuwde boulevards. Later op de dag kon je de dames zien rijden in hun met twee paarden bespannen sleden en een bediende achter zich op een klein plankje, achter op de glijders vastgemaakt; of ze reden, weggedoken in een ouderwetse koets, enorm groot en hoog, opgehangen aan grote gebogen veren en getrokken door vier paarden, met een voorrijder op de bok en twee lakeien achterop. 's Avonds, waren de meeste huizen helder verlicht en als de blinden niet gesloten waren, konden de voorbijgangers de kaartspelers bewonderen of de dansende paren in de salons. `Meningen' waren in die tijd niet in de mode en de tijd was nog ver dat in elk van die huizen een strijd begon tussen 'vaders en zoons' — een strijd die gewoonlijk eindigde in een familiedrama of in een nachtelijk bezoek van de staatspolitie. Vijftig jaar geleden was daar nog geen sprake van; alles verliep rustig en zonder strubbelingen — althans oppervlakkig gezien.

In dit Oude Adjudantenkwartier werd ik in 1842 geboren en hier bracht ik de eerste vijftien jaren van mijn leven door. Zelfs toen mijn vader het huis verkocht had waarin mijn moeder gestorven was en een ander kocht, en toen hij ook dat huis weer verkocht en we een aantal jaren de winter moesten doorbrengen in gehuurde huizen tot hij een derde huis naar zijn zin gevonden had op een steenworp afstand van de kerk waarin hij gedoopt was, bleven we toch in het Oude Adjudantenkwartier wonen. We verlieten het alleen 's zomers als we naar ons landgoed gingen.

II

Een hoge, ruime slaapkamer, de hoekkamer van het huis, met een wit bed waarop onze moeder ligt; onze kinderstoeltjes en -tafeltjes er vlakbij en de keurig gedekte tafeltjes bedekt met snoepjes en pudding in mooie glazen schaaltjes — een kamer waar men ons, kinderen, op een vreemd uur binnenbracht — dit is de eerste onscherpe herinnering van mijn leven.

Onze moeder leed aan tering; ze was pas vijfendertig jaar oud. Voor ze voorgoed van ons heenging, had ze de wens te kennen gegeven om ons bij zich te hebben, om ons te liefkozen en een ogenblik te genieten van ons plezier en daarom had ze dit kleine feestje georganiseerd bij haar bed dat ze niet meer kon verlaten. Ik herinner mij haar bleke magere gezicht, haar grote donkerbruine ogen. Ze keek vol liefde naar ons en nodigde ons uit om te eten en op haar bed te klimmen-, toen barstte ze plotseling in tranen uit en begon te hoesten en men zei ons weg te gaan.

Enige tijd later verhuisden wij kinderen — dat wil zeggen mijn broer Alexander en ik — van het grote huis naar een kleiner op de binnenplaats. De aprilzon vulde de kleine kamertjes met haar stralen, maar onze Duitse kinderjuffrouw Madame Burman en Oeljana, onze Russische verzorgster, stuurden ons naar bed. Hun gezichten nat van tranen, naaiden ze zwarte hemden voor ons met brede witte linten afgezet. We konden niet slapen: het onbekende joeg ons schrik aan en we luisterden naar hun gedempte gesprekken. Ze wisten iets over moeder dat we niet konden begrijpen. We sprongen uit ons bed en vroegen: `Waar is mamma? Waar is mamma?'

Ze begonnen allebei te snikken en streken ons over onze krullen, terwijl ze ons `arme wezen' noemden, tot Oeljana het niet langer uithield en zei:
`Jullie moeder is daarheen — naar de hemel, naar de engelen.'
`Hoe naar de hemel? Waarom? vroeg onze kinderlijke verbeelding vergeefs.

Dat was in april 1846. Ik was pas drieëneenhalf jaar oud en mijn broer Sasja nog geen vijf. Waar onze oudere broer en zuster, Nicolaas en Hélène heengegaan waren, weet ik niet, misschien zaten ze al op school. Nicolaas was twaalf en Hélène elf; zij gingen veel samen om en wij kenden hen nauwelijks. En zo bleven wij, Alexander en ik, in dit kleine huisje wonen onder de hoede van Madame Burman en Ocljana. De goede oude Duitse vrouw die geen thuis had en absoluut alleen op de wereld stond, nam voor ons de plaats in van onze moeder. Ze voedde ons op zo goed ze kon, kocht van tijd tot tijd eenvoudige speeltjes voor ons en propte ons vol met gembercake als een andere Duitse vrouw — waarschijnlijk even alleen op de wereld als zij — ons huis met een bezoek vereerde. Onze vader zagen we zelden, en de twee volgende jaren verstreken zonder enige indruk achter te laten in mijn geheugen.

III

Mijn vader was bijzonder trots op de afkomst van zijn familie en placht vaak plechtig te wijzen op een stuk perkament dat in zijn studeerkamer aan de muur hing. Het was getooid met ons wapen — het wapen van het vorstendom Smolensk, omhangen met de hermelijnen mantel en de kroon van de Monomachen — en erop stond geschreven, gewaarmerkt door het heraldisch departement, dat onze familie afstamde van een kleinzoon van Rostislav Mstislavitsj de Stoutmoedige (een naam die in de Russische geschiedenis bekend is als grootvorst van Kiev), en dat onze voorouders grootvorsten van Smolensk geweest waren.

`Het kostte me driehonderd roebel om dat stuk perkament te krijgen,' placht vader te zeggen. Zoals de meeste mensen van zijn generatie was hij niet erg thuis in de geschiedenis en hij waardeerde het document meer om wat het gekost had dan vanwege zijn historische betekenis.

Inderdaad is onze familie zeer oud, maar net als de meeste afstammelingen van Roerik, die beschouwd kan worden als vertegenwoordiger van de feodale periode in de Russische geschiedenis, raakten ze op de achtergrond toen dat tijdperk eindigde en de Romanovs de troon in Moskou bestegen; zij waren het die zich zetten aan de consolidatie van de Russische staat. In het recente verleden schijnt geen van de Kropotkins een speciale voorkeur gekoesterd te hebben voor de staatsdienst. Mijn overgrootvader en grootvader trokken zich al jong terug uit de militaire dienst en haastten zich terug naar hun landgoederen. Het dient wel gezegd te worden dat het belangrijkste landgoed, Oeroesovo, gelegen in het gouvernement Rjazan, op een hoge heuvel aan de rand van vruchtbare vlakten iedereen in verleiding zou brengen door de schoonheid van zijn schaduwrijke bossen, zijn kronkelende rivieren en onafzienbare weiden. Mijn grootvader was slechts luitenant toen hij de dienst vaarwel zei en zich terugtrok op Oeroesovo om zich geheel aan zijn landgoed te wijden en daarbij nog andere landgoederen te kopen in de naburige provincies.

Waarschijnlijk zou onze generatie hetzelfde gedaan hebben, als mijn grootvader niet getrouwd was met een prinses Gagarin, die tot een geheel andere familie behoorde. Haar broer was alom bekend als een hartstochtelijk liefhebber van toneel. Hij had een privé-schouwburg en ging in zijn hartstocht zelfs zo ver dat hij zijn hele familie te schande maakte door met een lijfeigene te trouwen — de geniale actrice Semjonova, die een van de grondleggers was van de dramatische kunst in Rusland en ongetwijfeld een van de meest sympathieke figuren ervan. Tot afschuw van 'Toute Moskou' bleef ze gewoon optreden.

Ik weet niet of mijn grootmoeder dezelfde artistieke en literaire voorliefdes had als haar broer. Ik herinner me haar alleen toen ze al verlamd was en slechts fluisterend kon spreken; maar het staat wel vast dat in de volgende generatie een duidelijke belangstelling voor de literatuur karakteristiek werd voor onze familie. Een van de zoons van prinses Gagarin behoorde tot de minder bekende Russische dichters en gaf een bundel gedichten. uit — iets waar mijn vader zich over schaamde en altijd vermeed erover te spreken. In onze generatie hebben verscheidene van mijn neven, evenals mijn broer en ik, in meer of mindere mate een bijdrage geleverd tot de literatuur van onze tijd.

Mijn vader was typisch een officier uit de tijd van Nicolaas I. Niet dat hij een oorlogszuchtig karakter bezat of veel ophad met het kampleven; ik betwijfel of hij ooit een nacht doorgebracht heeft bij een kampvuur of aan een veldslag deelnam. Maar onder Nicolaas I was dat van ondergeschikt belang. De ware militair van die tijd was de officier die verliefd was op het militaire uniform en een grondige verachting koesterde voor alle andere soorten opschik; wiens soldaten getraind waren om bijna bovenmenselijke trucjes uit te halen met benen en geweren (het hout van de geweren in stukken breken bij het `presenteer geweer' was een van die stoute stukjes) en die bij een parade kon bogen op een rij perfect opgestelde soldaten, net zo onbeweeglijk als speelgoedsoldaatjes. 'Heel goed,' zei groothertog Michael eens van een regiment, nadat hij ze een uur in de houding had laten. staan — `alleen, ze ademen!' Het staat vast dat het mijn vaders ideaal was om te beantwoorden aan die gangbare opvatting van een militair.

Het is waar dat hij deelnam aan de Turkse veldtocht in 1828; maar hij slaagde erin de hele tijd bij de staf van de opperbevelhebber te blijven; en als wij kinderen profiteerden van een moment waarop hij in een uitstekend humeur was en hem vroegen ons iets over de oorlog te vertellen, dan wist hij niets anders te vertellen dan over een felle aanval van honderden Turkse honden, die hij en zijn trouwe bediende Frol te verduren kregen toen ze als koerier door een verlaten Turks dorp reden. Ze moesten zich met het zwaard verdedigen tegen de hongerige beesten. Een bende Turken zou meer tot onze verbeelding gesproken hebben, maar we namen de honden voor lief. Als we mijn vader echter zover konden krijgen dat hij vertelde hoe hij het Sint-Anna-kruis 'voor betoonde moed' en het gouden zwaard dat hij droeg verworven had, dan moet me van het hart dat we ons diep teleurgesteld voelden. Zijn verhaal was beslist te prozaïsch. De officieren van de generale staf waren ingekwartierd in een Turks dorp, toen daar brand uitbrak. In een oogwenk stond alles in lichterlaaie. In een van de huizen bevond zich nog een kind, achtergelaten door de moeder die wanhopige kreten slaakte. Op dat moment wierp Frol, die zijn meester altijd vergezelde, zich in de vlammen en redde het kind. De opperbevelhebber die het zag, gaf vader onmiddellijk het erekruis voor betoonde mood.

`Maar vader,' riepen we uit, Frol heeft toch het kind gered!' `Wat zou dat?' antwoordde hij uiterst naïef. 'Hij hoort toch bij mij? Dat maakt niets uit.'

Hij nam ook deel aan de veldtocht in 1831, tijdens de Poolse Revolutie, en in Warschau maakte hij kennis met de jongste dochter van de commandant van een Leger, generaal Soelima, en werd prompt verliefd op haar. Het huwelijk werd met grote pracht en praal voltrokken in het Lazienkipaleis, waarbij de luitenant-generaal, graaf Paskievitsj, optrad als peetvader voor de bruidegom. 'Maar jullie moeder,' placht vader daaraan toe te voegen, `heeft me nooit enig fortuin bezorgd.'

Dat was waar. Haar vader, Nikolaj Semjonovitsj Soelima, verstond niet de kunst om carriére te maken of een fortuin te vergaren. Er zal wel te veel bloed van de Dnjeprkozakken in zijn aderen gevloeid hebben, die wel wisten hoe ze de goed toegeruste, oorlogszuchtige Polen moesten bevechten of de Turken, die driemaal groter in aantal waren, maar er geen kaas van hadden gegeten hoe ze de voetangels en klemmen van de Moskouse diplomatie moesten omzeilen. Nadat ze tegen de Polen gevochten hadden in de bloedige opstand van 1648, die het begin van het einde was van de Poolse republiek, verloren ze al hun vrijheden, toen ze onder de heerschappij van de Russische tsaren vielen. Een zekere Soelima werd door de Polen gevangengenomen en doodgemarteld in Warschau, maar de overige 'kolonels' van diezelfde familie vochten daardoor nog des te feller en Polen raakte Klein Rusland kwijt. Wat mijn grootvader betreft: tijdens de invasie van Napoleon I had hij zich aan het hoofd van zijn regiment kurassiers een weg gebaand in een carré, bestaande uit Franse infanteristen, gewapend met bajonetten; hij werd voor dood op het slagveld achtergelaten, maar herstelde van een diepe hoofdwond. Hij slaagde er echter niet in om in dienst te komen bij de favoriet van Alexander, de almachtige Araktsjejev, en werd vervolgens met `ereballingschap' gestuurd, eerst naar West-Siberië, als gouverneur-generaal, en later naar Oost-Siberië. In die tijd werd een dergelijk baantje beschouwd als een goudmijn, maar mijn grootvader keerde net zo arm uit Siberië terug als hij erheen gegaan was en hij liet slechts een bescheiden bezit na aan zijn drie zoons en drie dochters. Toen ik in 1862 in Siberië was hoorde ik dikwijls zijn naam met respect noemen. Hij werd tot wanhoop gedreven door de grootscheepse plunderingen die in die provincies plaatsvonden, terwijl hij niet over de middelen beschikte er een eind aan te maken.

Mijn moeder was ongetwijfeld een opmerkelijke vrouw, gczien de tijd waarin ze leefde. Vele jaren na haar dood vond ik in een hock van de provisiekamer in ons buitenhuis een stapel papieren, bedekt met haar kloeke doch mooie handschrift: dagboeken, waarin ze met verrukking schreef over het natuurschoon in Duitsland en waarin ze uiting gaf aan haar verdriet en haar verlangen naar geluk; boeken, volgeschreven met Russische gedichten die door de censuur verboden waren — waaronder de prachtige historische balladen van Rylejev, de dichter die door Nicolaas I in 1826 tot de strop was veroordeeld; andere boeken bevatten muziek, Franse toneelstukken, gedichten van Lamartine en werken van Byron, die ze overgeschreven had. Verder nog een groot aantal waterverfschilderijen.

Lang, slank, met een massa kastanjebruin haar, met donkerbruine ogen en een kleine mond, zo werd ze naar het leven geportretteerd in olieverf door een kunstenaar die er zijn hele hart in legde. Ze was altijd levendig en dikwijls zorgeloos; ze was dol op dansen en de boerenvrouwen in ons dorp vertelden vaak hoe ze vanaf het balkon bewonderend neerkeek op hun kringdansen — langzaam en vol gratie — en hoe ze zich tenslotte bij hen aansloot. Ze had de aard van een kunstenares. Het was op een bal dat ze kou vatte, waardoor ze die longontsteking opliep die haar ten slotte ten grave zou dragen.

Ieder die haar kende, hield van haar. De bedienden hielden de herinnering aan haar hoog. Het was in haar naam dat Madame Burman de zorg voor ons op zich nam en in haar naam schonk de Russische kinderjuffrouw ons haar liefde. Als ze ons haar kamde of ons zegende als we in bed lagen, placht Oeljana tegen ons te zeggen: 'En jullie mama kijkt nu vast vanuit de hemel op jullie neer en stort tranen over jullie, arme wezen.' Onze hele kindertijd wordt door haar nagedachtenis omstraald. Hoe vaak gebeurde het niet dat in een of andere donkere gang de hand van een bediende ons liefdevol streelde; of dat een buurvrouw, als ze ons buiten tegenkwam, vroeg: 'Zullen jullie net zo goed zijn als jullie moeder was? Ze had hart voor ons. Maar dat zal vast wel!' 'Ons', dat waren natuurlijk de lijfeigenen. Ik weet niet was er van ons terecht zou zijn gekomen als er in ons huis niet die liefderijke atmosfeer geheerst had, door toedoen van de lijfeigenen die bij ons in dienst waren, waar juist kinderen zo'n behoefte aan hebben. Wij waren haar kinderen, we leken op haar en zij overstelpten ons met hun liefde, dikwijls op ontroerende wijze, zoals we later zullen zien.

De mens verlangt er hartstochtelijk naar om na zijn dood nog voort te leven, maar dikwijls gaat hij heen zonder te zien dat de nagedachtenis van een werkelijk goed mens altijd levend blijft. Zij wordt meegegeven aan de volgende generatie, die haar op haar beurt weer aan haar kinderen doorgeeft. Is dat geen onsterfelijkheid die de moeite waard is om na te streven?

IV

Twee jaar na de dood van mijn moeder hertrouwde mijn vader. Hij had zijn oog al laten vallen op een knap jong meisje dat tot een rijke familie behoorde, toen het lot anders besliste. Op een morgen, toen hij nog in zijn kamerjas liep, stormden bedienden als dollen zijn kamer binnen en kondigden de komst aan van generaal Timofejev, de commandant van het zesde legerkorps, waartoe mijn vader behoorde. Deze favoriet van Nicolaas I was een verschrikkelijke man. Hij liet rustig een soldaat bijna doodranselen wegens een four die hij tijdens een parade gemaakt had, of hij liet een officier degraderen en naar Siberië sturen omdat hij hem op straat ontmoet had terwijl de punten van diens hoge stijve boord los hingen. Het woord van Nicolaas en generaal Timofejev was almachtig.

De generaal, die nooit eerder bij ons thuis geweest was, kwam bij vader met het voorstel te trouwen met de nicht van zijn vrouw, mademoiselle Jelizaveta Karandino, een van de vele dochters van een admiraal op de Zwarte Zee. Ze was een jonge vrouw met een klassiek Grieks profiel, van wie men zei dat ze erg mooi was. Vader stemde toe en evenals zijn eerste huwelijk werd ook dit met grote pracht en praal voltrokken.

`Jullie jongelui begrijpen niets van dit soort zaken,' zei hij altijd, als hij mij het verhaal voor de zoveelste keer verteld had met een heel fijn gevoel voor humor dat ik niet zal proberen weer to geven. `Maar weet je wel wat dat betekende in die tijd! — de commandant van een legerkorps? En vooral die eenogige duivel zoals wij hem altijd noemden, die in hoogsteigen persoon als huwelijksmakelaar kwam optreden! Natuurlijk, een bruidsschat had ze niet. Alleen een grote kist vol damesspulletjes en die Martha, haar enige lijfeigene, zo zwart als een zigeunerin, die erbovenop zat.'

Ik heb hoegenaamd geen herinnering aan deze gebeurtenis. Ik weet alleen nog dat we in een grote salon in een rijk gemeubileerd huis stoeiden met een jonge vrouw, die erg aantrekkelijk was, al had ze te scherpe zuidelijke gelaatstrekken. Ze zei tegen ons: 'Zien jullie wat een leuke mama jullie krijgen?' waarop Sasja en ik haar gemelijk aankeken en antwoordden: 'Onze mama is in de hemel.' Zoveel levendigheid bezagen we met achterdocht.

De winter kwam en een nieuw leven brak voor ons aan. Ons huis werd verkocht en er werd een ander gekocht en volledig nieuw ingericht. Alles wat ook maar enigszins aan mijn moeder herinnerde, verdween —haar portretten, haar schilderijen, haar borduurwerken. Vergeefs smeekte Madame Burman om te mogen blijven, ze beloofde zich geheel te wijden aan de baby die mijn stiefmoeder verwachtte, als was het haar eigen kind; maar ze werd weggestuurd. `In mijn huis wil ik niets van de Soelima's hebben,' werd haar gezegd. Alle banden met onze ooms, tantes en onze grootmoeder werden verbroken. OelJana werd uitgehuwelijkt aan Frol, die huisknecht werd, terwijl zij als huishoudster werd aangesteld. Voor onze opvoeding werd een duur betaalde Franse gouverneur aangesteld, Poulain, en een Russische student, N. P. Smirnov, tegen een hongerloontje.

Een groot aantal zonen van de Moskouse adel werd in die tijd opgevoed door Fransen, die de restanten vormden van Napoleons Grande Armée. Poulain was één van hen. Hij had zojuist de opvoeding voltooid van de jongste zoon van de romanschrijver Zagnoskin on zijn leerling Sergej genoot in het Oude Adjudantenkwartier zo'n uitnemende reputatie dat mijn vader niet aarzelde om Poulain voor de aanzienlijke som van zeshonderd roebel per jaar aan to stellen.

Poulain bracht zijn setter, Tresor, mee, zijn koffiepot Napoleon en zijn Franse tekstboeken en zo begon hij zijn heerschappij over ons en de lijfeigene Matvej, onze bediende.

Zijn opvoedingsschema was heel simpel. Nadat hij ons gewekt had, wijdde hij zich aan zijn koffie, die hij op zijn kamer gebruikte. Terwijl wij onze ochtendlessen voorbereidden, maakte hij met pijnlijke zorg toilet: hij verdeelde zijn grijze haar over zijn hoofdhuid om zijn toenemende kaalheid to verbergen, deed zijn pandjesjas aan, besprenkelde en waste zich met eau-de-cologne en begeleidde ons vervolgens naar beneden om onze ouders goedemorgen to wensen. Gewoonlijk troffen we onze vader en stiefmoeder aan het ontbijt en terwijl we op hen toeliepen declameerden we uiterst officieel: 'Bonjour mon cher papa' en 'Bonjour ma chère maman', waarna we hen de hand kusten. Poulain maakte een zeer ingewikkelde en elegance buiging terwijl hij sprak: 'Bonjour monsieur le prince' en 'Bonjour madame la princesse', waarna de processie zich onmiddellijk terugtrok naar boven. Deze ceremonie werd iedere morgen opnieuw herhaald.

Dan begon ons werk. M. Poulain verwisselde zijn pandjesjas voor een kamerjas, zette een leren mutsje op en liet zich in een gemakkelijke stool zakken met de woorden: 'Zeg de les maar op.'

We dreunden hem uit het hoofd op, van het ene teken dat hij met zijn nagel in het boek gemaakt had naar het volgende. Poulain had de grammatica van Noel en Chapsal meegebracht, een boek dat meer dan één generatie Russische jongens en meisjes zich zal herinneren. Verder een boek met Franse dialogen, een geschiedenis van de wereld in één deel en een algemeen aardrijkskundeboek, ook in één deel. Wij moesten de grammatica, de dialogen, de geschiedenis en de aardrijkskunde van buiten leren.

De grammatica, met haar welbekende zinnen: 'wat is grammatica': `De kunst om correct te spreken en te schrijven', ging wel goed. Maar het geschiedenisboek had ongelukkigerwijs een voorwoord dat krioelde van alle voordelen die men kan halen uit de kennis van geschiedenis. In de eerste zinnen verliep alles nog gladjes. Wij dreunden op: 'De prins vindt er grootmoedige voorbeelden in hoe hij over zijn ondergeschikten most heersen; de militaire bevelhebber leert er de edele kunst uit van het oorlogvoeren.' Maar zodra we bij de wet belandden liep alles mis. 'De jurisconsult vindt er...' — maar wat de rechtsgeleerde uit de geschiedenis kon leren, kwamen we nooit te weten. Dat afschuwelijke woord jurisconsult — bedierf alles. Zodra we daar aangekomen waren, stopten we.

`Op je knieën, gros pouff!' riep Poulain (dat was voor mij bedoeld). `Op je knieën, grand dada!' (en dat voor mijn broer). En daar zaten we op onze knieen en vergoten hete tranen, terwijl we vergeefs trachtten alles te leren over de jurisconsult.

Het heeft ons heel wat pijn gekost, dat voorwoord! We hielden ons al lang en breed bezig met de Romeinen, waarbij we onze stokken in Oeljana's schalen legden als ze rijst aan het afwegen was 'net als Brennus', en we sprongen van onze tafel en in andere `afgronden' om ons land te redden, 'net als Curtius'; maar Poulain bleef van tijd tot tijd terugkomen op dat voorwoord en liet ons dan steeds weer neerknielen voor dezelfde jurisconsult. Was het vreemd dat zowel mijn broer als ik later een onverhulde verachting koesterde voor jurisprudentie?

Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn als het aardrijkskundeboek van monsieur Poulain ook een voorwoord had gehad. Maar gelukkig waren de eerste twintig bladzijden uit het bock gescheurd (ik vermoed dat we dat aan Zagoskin te danken hadden) en zodoende begonnen we onze lessen op de eenentwintigste bladzijde, die begon met: `...van de rivieren die Frankrijk bevloeien.'

Toch dient nog vermeld te worden dat het knielen niet onze enige straf was. In de leskamer bevond zich een berkenroede, waartoe Poulain zijn toevlucht nam als er geen hoop op vooruitgang meer was bij het leren van het voorwoord of een of andere dialoog over deugd en fatsoen; maar op een dag hoorde Hélène, mijn zusje, die kort tevoren het Catharine Institut des Demoiselles verlaten had en nu een kamer onder die van ons had, onze kreten; in tranen stormde ze vaders studeerkamer binnen en slingerde hem bittere verwijten naar het hoofd: dat hij ons aan een stiefmoeder overgeleverd had, die ons overliet aan `een Franse trommelaar in ruste'.
`Ik weet wel,' riep ze uit, 'dat er niemand is die hun plaats kan innemen, maar ik kan het niet aanzien dat mijn broers op zo'n manier behandeld worden door een trommelaar!'

Zo onverhoeds aangevallen, wilt vader zich geen houding te geven.Hij begon Hélène een uitbrander te geven, maar het eind van loci liedje was dat hij haar prees om haar toewijding. Hierna bleef de bcrkenroede gereserveerd voor de setter Tresor, om hem de regels van de eigendom bij te brengen.

Zodra Poulain zich ontslagen achtte van zijn zware pedagogische verplichtingen, werd hij een totaal ender mens: een levendige vriend in plaats van de akelige schoolmeester. Na de lunch nam hij ons mee uit wandelen en dan kon hij onafgebroken vertellen; wij kwetterden als vogels. Hoewel we nooit verder zijn gekomen dan de eerste bladzijden van de syntaxis, leerden we niettemin toch al snel om 'correct te spreken'. We dachten in het Frans en toen hij ons de helft van een mythologieboek gedicteerd had, waarbij hij onze fouten met behulp van het boek verbeterde zonder ooit te verklaren waarom een bepaald woord juist zó geschreven moest worden, hadden we ook geleerd om `correct te schrijven'.

Na het diner kregen we les van onze Russische leraar, een student in de rechten aan de universiteit van Moskou. Hij gaf les in alle `Russische' onderwerpen — grammatica, rekenen, geschiedenis, enzovoort. Maar in die tijd werkten we nog niet echt serieus. Hij dicteerde ons iedere dag een bladzijde nit het geschiedenisbock en op die praktische manier leerden we al snel om vrijwel foutloos Russisch te schrijven.

Onze mooiste tijd was de zondag als de hele familie, met uitzondering van ons beiden, ging dineren bij Madame la Generale Timafejev. Soros gebeurde het dan dat zowel Poulain als N. P. Smirnov toestemming kregen het huis te verlaten en bij die gelegenheden plaatste men ons onder de hoede van Oeljana. Na een haastig naar binnen gewerkt diner renden we naar de grote hal waar al gauw de jongere werkmeisjes zich verzamelden. Er werden allerlei spelletjes gedaan — blindemannetje, krijgertje en dergelijke; en dan kwam opeens Tichon binnen met een viool, waarna het dansen begon; niet het afgemeten, vervelende dansen onder leiding van een Franse dansteraar 'op rubberbenen', hetgeen deel uitmaakte van onze opvoeding, maar vrij dansen, waarbij vele paren rondwervelden. En dit vormde nog slechts de inleiding tot de meer bezielde en wildere kozakkendans. Tichon placht dan de viool aan een van de oudere mannen te overhandigen, waarna hij met zijn benen zulke schitterende prestaties verrichtte dat binnen de kortste tijd de koks en zelfs de koetsiers zich verdrongen in de deuropeningen om te kijken naar de daps die hun zo na aan het Russische hart lag.

Tegen negen uur reed de grote koets uit om de familie weer op te halen. Tichon kroop met een borstel in zijn hand over de vloer om deze zijn maagdelijke glans terug te geven en de orde in huis werd weer hersteld. En als men ons de volgende morgen aan het strengste kruisverhoor zou hebben onderworpen, dan zou er nog geen woord over onze lippen gekomen zijn dat de gebeurtenissen van de avond ervoor zou kunnen verraden. We zouden nooit een van de bedienden verraden hebben, noch zij ons. Op een zondag speelden mijn broer en ik alleen in de grote hal. We renden tegen een console op waar een kostbare lamp op stond. De lamp lag in stukken. Onmiddellijk werd er door de bedienden overleg gepleegd. Niemand maakte ons enig verwijt. Besloten werd dat Tichon de volgende morgen vroeg het huis uit zou sluipen en, op gevaar af ontdekt te worden, naar de Brug der Smeden zou rennen om een andere lamp, identiek aan die welke gebroken was, te kopen. Hij kostte vijftien roebel — een enorm bedrag voor de bedienden, maar de lamp kwam er en we hebben nooit een woord van verwijt gehoord.

Als ik er nu aan terugdenk en al deze scenes nog eens in mijn herinnering terugroep, dan besef ik dat we nooit grove taal hoorden tijdens de spelletjes; evenmin zagen we bij het dansen dingen die we niet mochten zien, zoals nu wel gebeurt bij kinderen die meegenomen worden naar het theater. Thuis bij de bedienden werd ongetwijfeld ruwe taal gebezigd; maar wij waren kinderen — haar kinderen — en dat beschermde ons tegen dat soort dingen.

In die tijd bracht men kinderen niet in verwarring door een stortvloed van speelgoed, zoals tegenwoordig gebeurt. Wij hadden vrijwel niets en waren zodoende gedwongen om onze fantasie te laten werken. Daar kwam nog bij dat we al vroeg een voorliefde hadden ontwikkeld voor het toneel. De slechte carnavalsvertoningen met hun stelen en vechten lieten geen blijvende indruk na: wij speelden zelf al voldoende diefje en soldaatje. Maar de grote ster van het ballet, Fanny Elssler, kwam naar Moskou en wij hebben haar gezien. Als vader een loge reserveerde in de schouwburg, nam hij altijd een van de beste en betaalde er dan goed voor. Maar hij stond erop dat de hele familie er dan ook gebruik van maakte. Hoe klein ik toen ook was, toch lies Fanny Elssler de indruk na zó gracieus te zijn, zó licht en zó kunstzinnig in al haar bewegingen dat ik sindsdien geen enkele belangstelling meer heb kunnen opbrengen voor een dans die meer thuishoort op het terrein van behendigheid dan op het gebied van kunst.

Vanzelfsprekend moest het ballet dat we gezien hadden — Gitana, de Spaanse zigeunerin — thuis nagespeeld worden; althans de inhoud, niet de dansen. We hadden al een kant-en-klaar-toneel, aangezien er geen deur zat in de opening van onze slaapkamer naar de leskamer, maar een gordijn. Een paar stoelen in een halve cirkel ervoor met een gemakkelijke stoel voor Poulain vormden de zaal met de koninklijke loge en in toeschouwers kon gemakkelijk voorzien worden door de Russische leraar, Oeljana en een paar meisjes van het personeel.

Twee scenes uit het ballet moesten koste wat het kost nagespeeld worden: die scene waarin de kleine Gitana door de zigeuners in een kruiwagen naar hun kamp gebracht wordt en die waarin Gitana voor het eerst optreedt: ze daalt daarbij van een heuvel af en steekt eenbruggetje over waarbij de beek haar beeld weerspiegelt. Op dit moment was het publiek namelijk in een uitzinnig gejuich losgebarsten en al die toejuichingen waren — zo dachten wij tenminste — het gevolg van die weerspiegelingen in de beek.

We vonden onze Gitana in een van de jongste meisjes van het personeel. Haar nogal armoedige blauwkatoenen jurk was geen bezwaar om Fanny Elssler te kunnen spelen. Een omgekeerde stoel met de rugleuning naar beneden duwden we bij de poten voort en deze vormde zo een aanvaardbare vervanging voor de kruiwagen. Maar de beek! Twee stoelen en de lange strijkplank van Andrej, de kleermaker, vormden de brag en een stuk blauw katoen was de beek. De weerspiegeling in de beek wilde echter maar niet in voile glorie verschijnen, wat we met Poulains scheerspiegeltje ook deden. Na vele mislukte pogingen moesten we het opgeven maar we smeekten Oeljana te doen alsof ze de weerspiegeling wel zag door op dat moment luid te applaudisseren, zodat we uiteindelijk zelf gingen geloven dat er misschien toch iets te zien was.

`Phaedre' van Racine, of althans de laatste akte eruit, ging ook erg goed: dat wil zeggen Sasja declameerde heel mooi de melodieuze versregels 'A peine nous sortions des portes de Trezene' en ik bleef tijdens de hele tragische monoloog volkomen onbeweeglijk en onbezorgd zitten; de monoloog die mij op de hoogte stelde van de dood van mijn zoon; tot het punt waar ik volgens het boek moest uitroepen: '0 Dieu!'

Maar wat we ook uitbeeldden, al onze voorstellingen eindigden onveranderlijk met de hel. Alle kaarsen op één na werden gedoofd, en deze ene werd achter een stuk doorschijnend papier gezet om vlammen na te bootsen, terwijl mijn broer en ik, verborgen voor de toeschouwers, de meest verbijsterende kreten slaakten als verdoemden. Oeljana hield er niet van dat er tegen bedtijd toespelingen gemaakt werden op de Boze en ze keek altijd vol afschuw toe; maar ik vraag me nu af of deze uitermate concrete voorstelling van de hel, met een kaars en een stuk papier, ons niet geholpen heeft om ons op jonge leeftijd te bevrijden van de angst voor het eeuwige vuur. Onze opvatting ervan was te realistisch om er sceptisch tegenover te staan.

Ik moet nog maar een kind geweest zijn toen ik de grote Moskouse acteurs zag: Sjtsjepkin, Sadovsky en Sjoemsky in de Revisor van Gogol en nog een antler blijspel. Ik herinner me niet alleen de meest opvallende scenes uit die twee stukken, maar zelfs de houding en de gebaren van deze grote acteurs van de realistische school, die nu zo prachtig vertegenwoordigd wordt door Doese. Het stond zo scherp in mijn geheugen gegrift dat toen ik dezelfde stukken later in SintPetersburg zag, gespeeld door acteurs die tot de Franse school behoorden, ik geen genoegen schepte in hun manier van acteren, daar ik hen voortdurend vergeleek met Sjtsjepkin en Sadovsky, door wie mijn smaak op het gebied van de dramatische kunst gevormd was.

Dit brengt me ertoe te veronderstellen dat ouders die de artistieke gevoelens van hun kinderen willen ontwikkelen, ze of en toe moeten meenemen naar werkelijk goed geacteerde, verantwoorde toneelstukken in plaats van ze vol te stoppen met een overdaad aan zogenaamde `kinderpantomimes'.

V

Toen ik acht jaar oud was, vond een nieuwe belangrijke gebeurtenis op een nogal onvoorziene wijze in mijn leven plaats. Ik weet niet precies meer bij wat voor gelegenheid het gebeurde, maar waarschijnlijk was het ter ere van de vijfentwintigste verjaardag van de troonsbestijging door Nicolaas 1, dat er grote festiviteiten georganiseerd werden in Moskou. De keizerlijke familie kwam naar de oude hoofdstad en de Moskouse adel maakte zich op om deze gebeurtenis te vieren met een gekostumeerd bal, waarbij kinderen een belangrijke rol zouden spelen. Men kwam overeen dat de hele bonte mengeling van nationaliteiten waaruit het Russische rijk is samengesteld, op dit bal vertegenwoordigd moest zijn om de vorst te begroeten. Uitgebreide voorbereidingen werden bij ons thuis getroffen, evenals in alle andere huizen in de buurt. Voor mijn stiefmoeder werd een of ander opmerkelijk Russisch kostuum gemaakt. Omdat mijn vader een militair was moest hij natuurlijk in uniform verschijnen; maar diegenen van onze verwanten die niet in militaire dienst waren, hielden zich net zo druk bezig met hun Russische, Griekse, Kaukasische en Mongoolse kostuums als de dames. Als de Moskouse adel de keizerlijke familie een bal aanbiedt, moet het iets buitengewoons zijn. Wat mijn broer Alexander en mijzelf betreft, men vond ons te jong om aan zo'n belangrijke gebeurtenis deel te nemen.

En toch nam ik er uiteindelijk wel aan deel. Mijn moeder was een intieme vriendin van Madame Nazimov, de vrouw van de generaal die gouverneur van Vilno was toen de vrijwording van de lijfeigenen in het nieuws kwam. Madame Nazimov was een bijzonder knappe vrouw en zij werd op het bal verwacht met haar zoontje dat ongeveer tien jaar oud was. Ze zou een of ander schitterend kostuum dragen, een Perzische prinses voorstellende, waarbij een passend kostuum gemaakt was voor een jonge Perzische prins, buitengewoon rijk uitgevoerd met een gordel bezet met juwelen voor haar zoontje. Maar de jongen werd vlak voor het bal ziek en Madame Nazimov vond dat een van de kinderen van haar beste vriendin het beste haar eigen kind zou kunnen vervangen. Alexander en ik werden naar haar huis huis gebracht om het kostuum te passen. Het bleek te kort voor Alexander, die veel langer was dan ik, maar mij paste het precies en daarom besloot men dat ik mee zou gaan als de jonge Perzische prins.

De reusachtige zaal in het huis van de Moskouse adel was stampvol gasten. Elk kind kreeg een standaard met het wapen van een van de zestig provincies van het Russische rijk. Ik kreeg een adelaar, die over een blauwe zee vloog, wat — naar ik later ontdekte — het wapen was van het gouvernement Astrachan aan de Kaspische Zee. Vervolgens werden we in twee rijen opgesteld achter in de grote zaal, waarna we langzaam naar het podium liepen, waarop de keizer stond met zijn gezin. Daar aangekomen bogen we naar links en rechts of en zodoende stonden we in een lange rij opgesteld voor het podium. Op een teken gingen alle standaards omlaag voor de keizer. Het slot was uiterst indrukwekkend: Nicolaas was verrukt! Alle provincies van het rijk eerden hun opperste beer. Hierna trokken wij ons larigzaam, weer terug achter in de zaal.

Maar op dat moment ontstond er enige opschudding. Lakeien in hun met goud bestikte uniform renden heen en weer en ik werd uit de rij gehaald. Mijn oom, prins Gagarin, verkleed als een Tungus (ik had een grenzeloze bewondering voor zijn mooie leren pak, zijn boog en zijn pijlkoker), tilde me op en zette me op het keizerlijke podium.

Of het nu kwam omdat ik de kleinste was van alle jongens, of dat mijn ronde gezichtje, omlijst door krullen, er zo aardig uitzag under de hoge muts van Astrachanbont weet ik niet, maar Nicolaas wilde mij op het podium hebben. En daar stond ik dan tussen generaals en dames die nieuwsgierig op me neerkeken. Later heeft men mij verteld dat Nicolaas I, die een soort soldatenhumor bezat, me bij de arm nam en naar Maria Aleksandrovna (de vrouw van de troonopvolger) bracht, die op dat moment haar derde kind verwachtte en op zijn korte, afgebeten manier zei: 'Zo'n jongen moet je me geven' — een grapje dat haar hevig deed blozen. In ieder geval herinner ik me nog wel dat Nicolaas me vroeg of ik snoepjes wilde; maar ik antwoordde dat ik graag een paar van die kleine koekjes zou willen hebben die je altijd bij de thee kreeg (thuis kregen we nooit overdadig veel eten) en dat hij een ober riep en een volle schaal in mijn muts leegde. `Ik zal ze naar Sasja brengen,' zei ik tegen hem.

De krijgshaftige broer van Nicolaas echter, Michael, die de naam had geestig te zijn, maakte me aan het huilen. 'Als je zoet bent,' zei hij, 'doen ze zo' en hij liet zijn grote hand over mijn gezicht naar beneden glijden; 'maar als je stout bent, doen ze zo' en hij schoof zijn hand langs mijn gezicht omhoog, waarbij mijn neus een duw in de lucht kreeg, terwijl hij toch al duidelijk neigingen vertoonde omhoog te groeien. Ik trachtte vergeefs de tranen in mijn ogen terug te dringen. De dames kozen onmiddellijk partij voor mij en de goedhartige Maria Aleksandrovna nam me in bescherming. Ze zette me naast zich neer, in een hoge fluwelen stoel met vergulde rugleuning en men heeft me later verteld dat ik mijn hoofd al gauw in haar schoot legde en in slaap viel. Ze heeft haar stoel geen moment verlaten zolang het bal duurde.

Ik herinner me ook nog dat toen we in de hal op onze koets stonden te wachten, mijn familie me aanhaalde en kuste en zei: 'Pétja, nu ben je een page', maar ik antwoordde: `Ik ben geen page en ik wil naar huis.' Ik maakte me erg bezorgd om mijn muts waarin de kleine koekjes zaten die ik voor Sasja mee zou nemen.

Ik weet niet of Sasja veel van die koekjes kreeg, maar ik weet nog wel dat hij zijn armen om me been sloeg toen ze hem vertelden hoe bezorgd ik was geweest om mijn muts.

Ingeschreven worden als kandidaat voor het pagekorps was een grote eer die de Moskouse adel slechts zelden te beurt viel. Mijn vader was in de wolken en droomde al van een schitterende carriére aan het hof voor zijn zoon. Mijn stiefmoeder vergat nooit te vermelden, telkens als ze het hele verhaal vertelde: 'En dat kwam allemaal omdat ik hem mijn zegen gegeven heb voor hij naar het bal ging.'

Madame Nazimov was ook verrukt en stond erop dat er een schilderij van haar gemaakt werd in het kostuum dat haar zo prachtig stond, met mij aan haar zijde.

Het lot van mijn broer Alexander werd het jaar daarop beslist. Op dat tijdstip werd in Sint-Petersburg het jubileum gevierd van het Izmajlovskregiment, waartoe mijn vader vroeger behoord had. Op een nacht, toen het hele huis in diepe slaap gedompeld was, stopte een koets met driespan voor onze poort, terwijl de bellen aan het tuig rinkelden. Een man sprong eruit en riep luid: 'Doe open! Een verordening van Zijne Majesteit de Keizer!'

Het is niet moeilijk te begrijpen welk een schrik dit nachtelijk bezoek in ons huis teweegbracht. Mijn vader begaf zich bevend naar zijn studeerkamer. 'Krijgsraad, gedegradeerd tot soldaat' waren woorden die iedere miltair vreesde te zullen horen; het was een afschuwelijke tijd. Maar Nicolaas wilde alleen maar de namen weten van de zoon van alle officieren die ooit bij het regiment gediend hadden, om die jongens naar de militaire academies te sturen als dat nog niet gebeurd was. Een speciale koerier was voor dat doel uitgezonden van Sint-Petersburg naar Moskou en belde nu bij dag en nacht aan bij de huizen waar oud-officieren woonden van het Izmajlovskregiment.

Met bevende hand schreef mijn vader dat zijn oudste zoon Nicolaas al in het eerste korps cadetten diende in Moskou; dat zijn jongste zoon Peter kandidaat was voor het pagekorps en dat dan alleen zijn tweede zoon Alexander nog over was, die zijn militaire loopbaan nog niet begonnen was. Enige weken daarna kwam er een papier dat vader op de hoogte stelde van de `gunst van de vorst'. Alexander moest dienst nemen bij een cadettenkorps in Orjol, een klein provinciestadje. Het kostte mijn vader heel wat moeite en een grout bedrag aan geld om gedaan te krijgen dat Alexander naar een cadettenkorps in Moskou gestuurd werd. Deze nieuwe `gunst' werd alleen verkregen vanwege het feit dat onze oudste broer al in dat korps diende. En zo kwam het dat wij naar de wil van Nicolaas I allebei een militaire opleiding kregen, hoewel we al spoedig de militaire loopbaan gingen haten wegens de absurditeit ervan. Maar Nicolaas lette er scherp op dat geen van de zoons der adel een andere richting koos dan de militaire, tenzij ze een zwakke gezondheid hadden. En zo moesten we alle drie officier worden, tot grote voldoening van mijn vader.

VI

Rijkdom werd in die tijd afgemeten naar het aantal `zielen' dat een landeigenaar bezat. Zo veel `zielen' wilde zeggen: zo veel mannelijke lijfeigenen: vrouwen telden niet mee. Mijn vader bezat ongeveer twaalfhonderd zielen, in drie verschillende provincies, en behalve zijn lijfeigenen bezat hij ook nog grote stukken land die door deze boeren bewerkt werden. Hij werd beschouwd als een rijk man. Hij leefde volgens zijn stand, wat wil zeggen dat zijn huis altijd openstond voor bezoekers, hoe groot in aantal ook, en dat hij er een uitgebreide staf personeel op nahield.

Onze familie bestond uit acht mensen, soms uit tien of twaalf; maar vijftig bedienden in Moskou en anderhalf maal zoveel erbuiten werd als het absolute minimum beschouwd. Vier koetsiers om te zorgen voor zo'n twaalf paarden, drie koks voor de familie en nog twee voor het personeel, een twaalftal mensen om ons tijdens het diner te bedienen (een man achter iedere aangezetene aan tafel) en een groot aantal meisjes in de meidenkamer — hoe zou iemand het met minder kunnen stellen?

Bovendien streefde iedere landeigenaar ernaar dat al het benodigde voor het huishouden thuis gemaakt werd, door zijn eigen mensen.
`Wat is uw piano toch altijd mooi gestemd! Herr Schimmel is zeker uw Stemmer?' zou een bezoeker kunnen opmerken.
Om dan te kunnen antwoorden: `Ik heb een eigen pianostemmer,' was in die tijd het meest op zijn plaats.

`Wat een prachtige taart!' konden de gasten uitroepen als er een waar kunstwerk, samengesteld nit ijs en banket, tegen het eind van het diner werd opgediend. 'Geef maar toe, prins, dat hij afkomstig is van Tremble' (de beroemde banketbakker).

`Hij is door mijn eigen bakker gemaakt, een leerling van Tremble, die ik in staat gesteld heb te laten zien wat hij kan,' was dan een antwoord dat alom bewondering uitlokte.

Het hebben van borduursels, tuigen, meubels — kortom alles —gemaakt door eigen mensen, was het ideaal van de rijke en geachte landeigenaar. Zodra de kinderen van het personeel de leeftijd van tien jaar bereikten, werden ze in de leer gedaan bij chique zaken, waar ze verplicht waren vijf tot zeven jaar door te brengen met vegen, het krijgen van slaag en met het ronddraven door de stad voor allerlei boodschappen. Ik moet bekennen dat slechts een enkeling het vak tot in de perfectie beheerste. De kleermakers en de schoenlappers waren slechts bedreven genoeg om kleren en schoenen voor het personeel te maken, en als men een echt goede taart nodig had voor een diner, werd die bij Tremble besteld, terwijl onze eigen bakker in het orkestje de trom bespeelde.

Dat orkestje was weer een ander ideaal van mijn vader en bijna iedere bediende was, naast andere vaardigheden, basviolist of klarinettist in het orkestje. Makar, de pianostemmer, alias onderbutler, was ook nog fluitist; Andrej, de kleermaker, bespeelde de Franse hoorn; de bakker was eerst bestemd om de trom te bespelen, maar hij misbruikte zijn instrument zo oorverdovend dat men een reusachtige trompet voor hem kocht, in de hoop dat zijn longen minder sterk zouden zijn dan zijn handen; toen echter deze laatste hoop de bodem was ingeslagen, werd hij naar het leger gestuurd. Wat betreft `Tichon met de puistjes': bij zijn talrijke functies in het huishouden, zoals lampenschoonmaker, vloerboener en lakei, maake hij zich ook nog nuttig in het orkestje — vandaag als trombonist, morgen als bassist en een andere keer als tweede violist.

De twee eerste violisten waren de enige uitzonderingen op de regel: zij waren violist en niets anders. Mijn vader had hen met hun grote gezin van zijn zusters gekocht voor een hoop geld (hij kocht nosh verkocht ooit lijfeigenen van en aan vreemden). Op avonden dat hij niet op de club was, of als er thuis een diner of een party gegeven werd, moest het orkestje, bestaande uit twaalf tot vijftien man, optreden. Ze speelden heel aardig en waren zeer in trek voor dansfeestjes in de buurt. Maar nog meer als we op het platteland waren. Dit was vanzelfsprekend een voortdurende bron van geluk voor mijn vader, wiens toestemming eerst gevraagd moest worden om de medewerking van het orkest te krijgen.

Werkelijk, niets verschafte hem meer plezier dan als iemand hem om hulp vroeg, of dat nu was zoals reeds genoemd of op welke andere manier dan ook: bijvoorbeeld om een gratis opleiding te verkrijgen voor een jongen of om iemand te redden van een bestraffing, waartoe het gerecht hem veroordeeld had. Hoewel hij snel een woedeuitbarsting kreeg, bezat hij van nature ongetwijfeld een milde inborst, en als zijn bescherming werd ingeroepen, placht hij grote aantallen brieven te sturen naar alle mogelijke instellingen, naar allerlei hooggeplaatste personen, ten gunste van zijn beschermeling. Op die momenten voegde zich bij zijn altijd al uitgebreide correspondentie nog een half dozijn speciale brieven, geschreven in een uiterst originele, half officiële en half schertsende stijl; elk was natuurlijk gezegeld met zijn wapen in een grote vierkante envelop, die rammelde als een rammelaar door de hoeveelheid zand die erin zat — het gebruik van vloeipapier was toen nog niet bekend. Hoe moeilijker de zaak lag, des te meer energie spreidde hij ten toon, tot hij de gunst verkreeg voor zijn beschermeling, die hij meestal nooit te zien kreeg.

Mijn vader hield ervan veel gasten in zijn huis te hebben. Ons diner werd om vier uur opgediend en om zeven uur verzamelde de familie zich om de samovar voor de thee. Iedereen die tot onze kennissenkring behoorde, kon op dat uur aan komen lopen en vanaf het moment dat mijn zusje Hélène weer bij ons was, ontbrak het ons niet aan bezoekers, oud en jong; allen maakten van dit voorrecht gebruik. Als door de ramen die op straat uitkeken helder licht naar buiten scheen, was dat al voldoende om de mensen te laten weten dat de familie thuis was en dat vrienden welkom waren.

Vrijwel iedere avond hadden we bezoekers. De groene tafels in de hal stonden klaar voor de kaartspelers, terwijl de dames en de jongelui in de salon verbleven of zich rond Hélène's piano verzamelden. Als de dames weg waren, ging het kaartspel door, soms tot in de kleine uurtjes van de ochtend en aanzienlijke sommen gelds veranderden van eigenaar tussen de spelers. Vader verloor onveranderlijk.

Maar het werkelijke gevaar dreigde voor hem niet thuis, maar op de Engelse club, waar de inzetten veel hoger waren dan thuis en met name als hij zich had laten verleiden tot een partijtje met `zeer respectabele' mannen in een van de 'uiterst respectabele' huizen in het Oude Adjudantenkwartier, waar het gokken de hele nacht doorging. Bij dit soort gelegenheden leed hij met grote zekerheid zware verliezen.

Dansfeestjes kwamen nogal eens voor, om maar niet te spreken van een aantal verplichte bals 's winters. Vaders handelwijze was om bij dat soort gelegenheden alles in stijl te doen, wat de kosten ook mochten zijn. Maar tegelijkertijd heerste er zo'n ver doorgevoerde zuinigheid in ons huishouden in het dagelijks leven, dat men mij van overdrijving zou beschuldigen als ik het uit de doeken zou. doen. Men heeft wel eens van een familie die aanspraak maakte op de Franse troop en die vermaard was om haar werkelijk vorstelijke jachtfestijnen gezegd, dat in het dagelijks leven zelfs de vetkaarsen zorgvuldig geteld werden. Hetzelfde soort vrekkige zuinigheid heerste hij ons thuis met betrekking tot alles. Zelfs zozeer dat toen wij kinderen opgroeiden, we een afkeer hadden van elke vorm van sparen en rekenen. In het Oude Adjudantenkwartier echter deed het mijn vader alleen nog maar meer stijgen in de publieke achting. 'De oude prins,' zei men, `schijnt thuis scherp op de kleintjes te letten, maar hij weet hoe een edelman behoort te leven.'

In onze kalme schone straten was dat het soort leven dat het meest bewonderd werd. Een van onze buren, generaal D... voerde een zeer grote stijl; en toch hadden iedere morgen de meest komische scenes plants tussen hem en de kok. Als het ontbijt achter de rug was, bestelde de oude generaal in eigen persoon het diner, trekkend aan zijn pijp.

'Wel mijn jongen,' zei hij dan tegen de kok die in het sneeuwwit geliuld verschenen was, `vandaag zijn we maar met een paar; slechts een handjevol gasten. Maak maar een soepje voor ons, je weet wel, met allerlei voorjaarsgroenten — doperwtjes, sperzieboontjes en dergelijke. Je hebt dat tot nu toe nog niet voor ons klaargemaakt, en je weet het: madame houdt erg van een goede Franse voorjaarssoep.'
'Ja meneer.'
`Dan kies je maar wat uit als entree.'
'Ja meneer.'
`Natuurlijk is het nu nog niet de tijd voor asperges, maar ik zag gisteren heel mooie bosjes in de winkel.'
`Ja meneer, acht shilling per bosje.'
`Precies! En dan zijn we jouw gegrilde kip en kalkoen zat.' `Wat wildbraad misschien, meneer?'
'Ja, ja, alles is goed, als het maar wat anders is.'

En als de zes gangen voor het diner bepaald waren, vroeg de oude generaal: 'Welnu, hoeveel zal ik je geven voor de uitgaven van vandaag? Zes shilling is zeker wel genoeg, niet?'
Ten pond meneer.'
`Wat een onzin, m'n jongen! Hier zijn zes shilling; ik verzeker je dat dat ruim voldoende is.'
`Acht shilling voor de asperges, vijf voor de groente.'
`Nu moet je eens goed luisteren, mijn beste jongen; ik ga tot zeven shilling, zes pence; je moet wel zuinig zijn.'


En het gesjacher ging zo nog een half uur door tot die twee het eens werden op veertien shilling en zes pence, met dien verstande dat het diner van de volgende dag niet meer dan drie shilling zou kosten. Hierna stapte de generaal, opgetogen dat hij het zo voordelig geregeld had, in zijn slede en maakte een tour langs de chique zaken en keerde stralend van genoegen terug met een fles uitgelezen parfum voor zijn vrouw, waar hij in een Franse winkel een fabelachtige prijs voor betaald had en kondigde aan dat er die middag voor zijn enige dochter een nieuwe fluwelen mantel — `iets heel eenvoudigs' en bijzonder kostbaar — zou komen om te passen.

Al onze verwanten, die zeer talrijk waren van mijn vaders kant, leefden op precies dezelfde manier; en als er soms een nieuwe stroming ontstond, nam die gewoonlijk de vorm aan van een religieuze passie. Zo gebeurde het dat een prins Gagarin jezuïet werd, en wederom sprak `toute Moskou' er schande van; weer een andere jonge prins ging in een klooster, terwijl verscheidene oudere dames er vurig mee dweepten.

Er was slechts een uitzondering. Een van onze naaste verwanten, prins — laten we hem Mirsky noemen, had zijn jeugd in Sint-Petersburg doorgebracht als officier van de wacht. Hij interesseerde zich niet voor eigen kleermakers en meubelmakers, want zijn huis was in een imposante moderne stijl gemeubileerd en zijn kleding was afkomstig uit de beste winkels in Sint-Petersburg. Gokken deed hij nauwelijks — hij speelde alleen kaart als hij in damesgezelschap was; maar zijn zwakke punt was zijn voorliefde voor een rijke tafel: hieraan gaf hij ongelooflijke hoeveelheden geld uit.

De Vasten en Pasen waren de tijd waarop hij zich aan extravaganties te buiten ging. Als Grote Vasten aanbrak en het niet fatsoenlijk was om vlees, room of boter te eten, greep hij de gelegenheid aan om allerlei delicatessen van vis te laten bereiden. De beste winkels in de twee grote steden werden voor dat doel geplunderd; speciale koeriers werden van zijn landgoed naar de monding van de Volga gestuurd om per postpaard (in die tijd was er nog geen trein) een steur te halen van enorme afmetingen of een vis die op een speciale manier ingemaakt was. En als de Paastijd aanbrak, kwam er geen eind aan zijn culinaire bedenksels.

Pasen is in Rusland het feest waar het meeste werk van wordt gemaakt en dat ieder jaar met grote vrolijkheid gevierd wordt. Het is het grote voorjaarsfeest. De reusachtige hopen sneeuw die de hele winter langs de straten gelegen hebben, dooien snel weg en snelstromende beekjes zoeken hun weg over straat. De lente komt niet als een diet in het duister, met nauwelijks merkbare temperatuursverhogingen, maar frank en vrij — iedere dag zijn er duidelijke verschillen te merken in de hoeveelheid sneeuw en het zwellen van de knoppen aan de bomen. De nachtvorst zorgt ervoor dat de dooi binnen redelijke grenzen blijft. De laatste week van de Vasten, de Lijdensweek, werd in Moskou toen ik jong was met grote plechtigheid gevierd; het was een tijd van algemene droefenis en grote mensenmassa's gingen naar de kerk om te luisteren hoe die passages uit het evangelie, die betrekking hadden op het lijden van Christus, op indrukwekkende wijze voorgelezen werden. Men at niet alleen geen vlees, eieren en boter, maar men weigerde zelfs vis; de meest strenge gelovigen namen op Goede Vrijdag helemaal geen voedsel tot zich. Des te treffender was de tegenstelling als het Pasen was.

Op zaterdag bezocht iedereen de nachtmis die heel treurig begon. Dan werd om middernacht plotseling de opstanding aangekondigd. Alle kerken baadden terstond in het licht en een helder vrolijk klokgelui weerklonk van honderden klokketorens. Alom heerste er dan vreugde. Iedereen kuste elkaar driemaal op de wangen, waarbij de woorden van de opstanding herhaald werden en de kerken, nu helder verlicht, sprankelden van kleur door de frisse toiletjes van de dames. Zelfs de armste vrouw droeg een nieuwe jurk; als ze zich maar eens per jaar een nieuwe jurk kon veroorloven, dan had ze hem voor die nacht aangeschaft.

Tegelijkertijd was en is Pasen nog steeds het sein voor werkelijke zwelgpartijen. Er worden speciale paasroomkaasjes (pascha) en paasbrood (koolitsj) toebereid; en iedereen, hoe arm hij of zij ook mag zijn, heeft wel op z'n minst een kleine pascha en een kleine koolitsj, plus een roodgeschilderd ei om in de kerk te laten zegenen om later de Vasten mee te beëindigen. Bij de meeste oude Russen begon men 's nachts al te eten, na een korte Paasmis, direct nadat het gewijde voedsel uit de kerk naar huis gebracht was; maar in de huizen van de adel stelde men de ceremonie uit tot zondagochtend. Dan werd er een tafel gedekt met allerlei soorten vlees, kaas en banket en kwamen alle bedienden om met hun meesters, de drie kussen en een roodgeschilderd ei te wisselen. Gedurende de hele Paasweek stond een tafel met Paasvoedsel in de grote zaal en iedere gast werd uitgenodigd er iets van te nemen.

Bij deze gelegenheid overtrof prins Mirsky zichzelf. Of hij nu in Sint-Petersburg of in Moskou was, boodschappers brachten van zijn landgoed speciaal toebereide roomkaas voor de pascha en zijn kok slaagde erin om er een waar kunstwerk van te maken. Andere boden werden naar Novgorod gestuurd om een berebout te halen, die speciaal voor de Paastafel van de prins, was ingemaakt. En terwijl de prinses met haar twee dochters de meest strenge kloosters bezocht, waar de nachtmis drie tot vier uur aan een stuk duurde, en de hele lijdensweek uiterst sober leefde op slechts een stuk droog brood tussen de bezoeken in die ze aan Russische, katholieke en protestantse priesters bracht, maakte haar echtgenoot iedere morgen een ronde langs de bekende Miloetinwinkels in Sint-Petersburg, waar alle mogelijke delicatessen uit alle hoeken van de wereld bijeengebracht zijn. Daar koos hij dan de meest extravagante heerlijkheden uit voor zijn Paastafel. Honderden bezoekers kwamen naar zijn huis en werden uitgenodigd om `eens te proeven' van dit of dat buitengewone hapje.

Het eind van het liedje was dat het de prins lukte om letterlijk een fortuin te consumeren. Zijn rijk gemeubileerde huis en prachtige landgoed werden verkocht en toen hij en zijn vrouw oud waren, hadden ze nets meer over, zelfs geen eigen huis en waren ze gedwongen bij hun kinderen in te trekken. Het is dan ook geen wonder dat toen de lijfeigenen zich begonnen te roeren, vrijwel alle families in het Oude Adjudantenkwartier aan de grond zaten. Maar ik moet niet op de gebeurtenissen vooruitlopen.

VII

Om er in huis zo'n groot aantal bedienden op na te houden, zou ons eenvoudig tot de bedelstaf gebracht hebben als alle voorraden in Moskou gekocht moesten worden; maar in die tijd waarin her lijfeigenschap nog bestond regelde men dat soort zaken op eenvoudige wijze. Tegen de winter zette mijn vader zich aan zijn schrijftafel en schreef het volgende:

`Aan de beheerder van mijn landgoed, Nikolskoje, gelegen in her gouvernement Kaloega, district Mestsjovsk, aan de rivier de Sirena, van prins Aleksej Petrovitsj Kropotkin, kolonel en commandant met verschillende rangen.
Na ontvangst dezes en zodra de wegen begaanbaar zijn, verzoek ik u te sturen naar mijn huis, gelegen in de stad Moskou: vijfentwintig boerensleden, elk getrokken door twee paarden, een uit elk huis en een slee plus een man uit ieder tweede huis en ze te beladen met (zo en zoveel) haves, (zo en zoveel) tarwe en (zo en zoveel) rogge; evenzo alle kippen, ganzen en eenden, ingevroren, die deze winter geslacht moeten worden; ze dienen goed ingepakt te zijn en vergezeld te gaan van een volledige lijst, onder de supervisie van een betrouwbaar man.' En zo ging het nog een aantal bladzijden door, tot er eindelijk een punt kwam. Hierna volgde een opsomming van alle straffen die hun te wachten stonden voor her geval de voorraden het huis in die en die straat nummer zoveel niet op tijd zouden bereiken en als er iets aan mocht mankeren.

Enige tijd voor Kerstmis gleden de vijfentwintig boerensleden inderdaad onze poort binnen en vulden de ruime binnenplaats.

'Frol!' schreeuwde mijn vader, zodra men hem van deze grote gebeurtenis op de hoogte gesteld had. 'Kirjocsjka! Jegorka! Waar zitten jullie? Alles wordt nog gestolen! Frol, ga haver uitladen! Oeljana het gevogelte! Kirjoesjka, ga de prinses roepen!'

Het hele huis stond op zijn kop; de bedienden renden gejaagd heen en weer, van de hal naar de binnenplaats en weer terug, maar voornamelijk naar de meidenkamer om daar de laatste nieuwtjes uit Nikolskoje te vertellen: 'Pasja gaat na Kerstmis trouwen, Tante Anna is gaan hemelen', enzovoort. Ook waren er brieven van buiten gekomen en al gauw glipte dan een van de meiden mijn kamer binnen. `Ben je alleen? Is de meester er niet?'
`Nee, hij is op de universiteit.'
`Wees dan eens lief en lees me deze brief van mijn moeder voor.'

En dan las ik haar de simpele brief voor die altijd begon met de woorden: vader en moeder zenden je hun zegen, opdat een lang leven je deel moge zijn.' Hierna kwamen de nieuwtjes: 'Tante Eupraksie is ziek, al haar botten doen haar zeer, en je nichtje is nog niet getrouwd maar hoopt dat na Pasen wel te zijn; tante Stepanida's koe is doodgegaan op Allerheiligen.' Na de nieuwtjes volgden de groeten, twee bladzijden lang: 'Broer Paul stuurt je zijn groeten en de zusjes Maria en Dárja sturen hun groeten en oom Dmitry zendt vele groeten,' en zo verder. Maar hoe eentonig die opsomming ook mag lijken, iedere naam was wel aanleiding tot een paar opmerkingen: 'Dan leeft ze nog, de arme ziel, als ze me de groeten laat doen; ze ligt al negen jaar verlamd.' Of: 'Oh, hij is me nog niet vergeten; dan is hij zeker terug met Kerstmis; zo'n aardige jongen. Je wilt wel een brief voor me schrijven, niet? En dan moet ik hem niet vergeten.' Dat beloofde ik natuurlijk en als de tijd daar was schreef ik een brief in precies dezelfde stijl.

Wanneer de sleden uitgeladen waren, vulde de hal zich met boeren. Ze hadden hun mooiste jas aangetrokken over hun schapevachten en wachtten tot vader hen in zijn kamer riep om een praatje te maken over de sneeuw en de vooruitzichten voor de volgende oogst. Ze durfden nauwelijks met hun zware laarzen over de gewreven ulcer te lopen. Een enkeling verstoutte zich te gaan zitten op het randje van een eiken bank; ze weigerden uitdrukkelijk om gebruik te maken van stoelen. Zo wachtten ze urenlang, waarbij ze telkens geschrokken opkeken als iemand vaders kamer in- of uitging.

Een tijdje later, meestal de volgende morgen, rende dan een van de bedienden stiekem de trap op naar de leskamer. `Ben je alleen?'
`Ja.'
`Ga dan vlug naar de hal. De boeren willen je zien; ze hebben iets voor je van je kinderjuffrouw.'

Als ik naar de hal was gegaan, gaf een van de boeren me een klein bundeltje, waar soms een paar rijstkoekjes, zes hardgekookte eieren en wat appels in zaten, met een bontgekleurde zakdoek eromheen. `Hier, dit stuurt uw kinderjuffrouw Vasilisa u. Kijk even of de appels niet bevroren zijn. Ik hoop van niet; ik heb ze de hele weg op mijn borst warm gehouden, maar het vroor zo vreselijk!'

En er verscheen een stralende glimlach op het brede gezicht, waarvan de baard glinsterde van de ijspegeltjes; daarbij toonde hij twee rijen prachtige witte tanden vanachter een hele wirwar van haar.

`En dit is voor uw broer van zijn kinderjuffrouw Anna,' zei dan een andere boer, terwijl hij me een gelijkvormig bundeltje gaf. 'Arme jongen,' zegt ze, 'hij krijgt op school nooit genoeg.'

Ik bloosde en wist niet wat ik moest zeggen; ten slotte mompelde ik: 'Zcg Vasilisa dat ik haar kus en Anna ook, van mijn broer.' Waarop alle gezichten nog meer begonnen te stralen.
Ja, dat zal ik zeker zeggen.'
Dan fluisterde Kirila, die de wacht hield bij vaders deur, plotscliiig: `Vlug naar boven; je vader komt zo. Vergeet de zakdoek niet; die willen ze terug.'
Terwijl ik dan de vergeten zakdoek zorgvuldig opvouwde, wenste ik vurig dat ik Vasilisa iets kon sturen. Maar ik had nets, zelfs geen stuk speelgoed, en zakgeld kregen we nooit.

Onze mooiste tijd brachten we natuurlijk op het platteland door. Zodra Pasen en Pinksteren voorbij waren, richtten we onze gedachten geheel en al op Nikolskoje. De tijd verstreek echter — de seringen waren vast al uitgebloeid in Nikolskoje — en vader had nog duizend en één dingen te doen in de stad. Eindelijk reden vijf of zes boerenwagens de binnenplaats op om allerlei spullen op te halen die naar ons landhuis vervoerd moesten worden. De grote oude koets en de andere rijtuigen waarin we de refs zouden maken, werden te voorschijn gehaald en nogmaals nagekeken. De koffers werden gepakt. Onze lessen vorderden maar traag: elk moment onderbraken we onze leraren om te vragen of dit of dat boek mee moest en ver voor alle anderen begonnen wij al vast onze boeken en leien in te pakken en het speelgoed dat we zelf gemaakt hadden.

Alles was gereed: de boerenwagens stonden zwaar beladen met meubels voor het landhuis, het keukengerei was in kisten verpakt met een ontelbare hoeveelheid lege glazen potten, die in de herfst weer mee terug gingen, gevuld met allerlei soorten ingemaakte groenten. De boeren wachtten iedere morgen urenlang in de hal, maar het bevel om te vertrekken liet op zich wachten. Vader bleef de hele morgen in zijn kamer zitten schrijven en verdween 's avonds. Uiteindelijk kwam mijn stiefmoeder tussenbeide, nadat haar dienstmeisje haar had verteld dat de boeren op hete kolen zaten, aangezien de hooitijd naderde.

De volgende dag werden Frol, de hoofdbutler, en Michael Alejev, de eerste violist, naar vaders kamer geroepen. Een zakje dat het 'etensgeld' — dat wil zeggen een paar kopeken per dag — bevatte voor ieder van de veertig of vijftig mensen die de familie zouden begeleiden naar Nikolskoje, werd met een bijgaande lijst aan Frol overhandigd. Iedereen stond op die lijst: het hele orkest, dan de koks en de onderkoks, de wasvrouwen, de onderwasvrouw die gezegend was met zes kleintjes, 'Schele Polka', 'Domna de grote', 'Domna de kleine' en de rest.

De eerste violist kreeg de `marsorder'. Die kende ik goed omdat, toen vader zag dat hij nooit klaar zou komen, hij mij de opdracht in het boek had laten overschrijven, waarin hij alle `uitgaande post' placht te noteren:

`Aan mijn bediende Michael Alevjev van prins Alexej Petrovitsj
Kropotkin, kolonel en commandant.

Ik geef je de opdracht om op 29 mei om zes uur 's namiddags op weg te gaan met mijn bezittingen van de stad Moskou naar mijn landgoed, gelegen in het gouvernement Kaloega, in het district Mesjtsjovsk aan de rivier de Sirena, hetgeen een afstand is van 250 kilometer vanaf dit huis; ik draag je op toe te zien op het gedrag van de mensen die aan je zijn toevertrouwd en als iemand van hen zich schuldig maakt aan wangedrag of dronkenschap of insubordinatie, dient deze voor de commandant van het garnizoensdetachement van het afzonderlijke korps van de binnenlandse garnizoenen gebracht te worden, met bijgesloten brief en verzocht dient te worden hem te bestraffen (de eerste violist wist wie er bedoeld werd) met slaag, als een voorbeeld voor de rest.
Verder draag ik je op om, speciaal toe te zien op de veiligheid van de goederen die aan je zorgen zijn toevertrouwd en er dient als volgt gereisd te worden: eerste dag: stopplaats in het dorp X our de paarden te voederen; tweede dag: de nacht dient in de stad Podolsk doorgebracht te worden'

en zo verder voor alle zeven of acht dagen, die de reis duurde.

De volgende dag, om tien uur in plaats van zes — stiptheid is geen Russische deugd ('Godzijdank, we zijn immers geen Duitsers' plachten echte Russen te zeggen) — verlieten de wagens het huis. De bedienden moesten de reis te voet maken, alleen de kinderen kregen een plaatsje in een badkuip of mand, bovenop een volgeladen kar en soms lukte het enkele vrouwen om even uit te rusten op de rand van een kar. De rest moest de volle 250 km te voet afleggen. Zolang ze door Moskou trokken bleef de discipline gehandhaafd: het was uitdrukkelijk verboden om kaplaarzen te dragen of een riem over de Jas heen. Maar zo gauw ze de stad achter zich gelaten hadden en wij hen een paar dagen later inhaalden, leken de mannen en vrouwen, gehuld in de meest vreemdsoortige kleren, omgord met katoenen zakdoeken, verbrand door de zon of druipend van de regen, met zelfgesneden stokken om het gaan te vergemakkelijken — veeleer op een zwervende bende zigeuners dan op het personeel van een rijke landeigenaar; en dit was met name het geval als men wist dat vader nog enige dagen in Moskou zou blijven. Gelijksoortige tochten werden in die tijd door ieder huishouden ondernomen en als we een rij bedienden door een van onze straten zagen marcheren, wisten we gelijk dat de Apoechtins of de Prijanisjnikovs ook naar buiten trokken.

De wagens waren weg, maar de familie bleef waar ze was. We waren allen het wachten moe; maar vader bleef doorgaan met het schrijven van eindeloze opdrachten aan de beheerders van zijn landgoederen en ik schreef ze ijverig over in het grote boek voor de 'uitgaande stukken'. Ten slotte werd dan toch het sein tot vertrek gegeven. We werden naar beneden geroepen. Mijn vader las hardop de `marsorder' voor, gericht aan 'de prinses Kropotkin, vrouw van prins Aleksej Petrovitsj Kropotkin, kolonel en commandant', waarin de stopplaatsen gedurende de vijfdaagse reis precies werden aangegeven. De order was echter geschreven voor 30 mei en het vertrek was vastgesteld op negen uur 's morgens, al was de maand mei al voorbij en al vond het vertrek 's middags plaats; dit bracht alle berekeningen weer in de war. Maar zoals dat gebruikelijk is bij militaire mars-orders, was in deze situatie voorzien door de volgende paragraaf in te lassen — 'Als echter, tegen de verwachting in, het vertrek van uwe hoogheid niet op de genoemde dag en uur kan plaatsvinden, wordt u verzocht om te handelen naar uw beste weten om zodoende de genoemde reis tot een zo goed mogelijk einde te brengen.' Dan zette iedereen die aanwezig was, familie en bedienden, zich voor een ogenblik neer, sloeg een kruis en nam afscheid van mijn vader. `Ik verzoek je dringend, Aleksej, om niet naar de club te gaan,' fluisterde mijn stiefmoeder hem toe.

De grote koets, getrokken door vier paarden met een postiljon voorop, stond voor de deur, met het kleine trapje uitgeklapt om het instappen te vergemakkelijken. De andere koetsen reden ook voor. Onze zitplaatsen werden in de `marsorder' omschreven, maar onze stiefmoeder moest 'naar beste weten' handelen, zelfs bij het allereerste begin van de reis en zo vertrokken we naar een ieders tevredenheid.

De reis was een onuitputtelijke bron van vreugde voor ons kinderen. De etappes waren maar kort en we stopten tweemaal per dag om de paarden te voederen. Aangezien de dames het al uitgilden bij de geringste helling van de weg, vond men het prettiger iedere keer als de weg steeg of daalde, wat vrijwel voortdurend het geval was, uit te stappen. Wij profiteerden daarvan door een kijkje te nemen in de bossen langs de weg of door een eind te rennen langs een kristalhelder beekje. De prachtig onderhouden hoofdweg van Moskou naar Warschau, die we een eindweegs volgden, was ook nog afgeladen met een veelheid van interessante objecten: Lange rijen volgestouwde wagens, groepjes pelgrims en mensen van allerlei slag. Tweemaal per dag stopten we in grote, drukke dorpen en na een uitgebreid onderhandelen over de prijzen voor hoof en haver, alsook voor de samovars, stegen we uit voor de poort van een herberg. De kok, Andrej, kocht een kip en maakte soep, terwijl wij intussen naar het dichtstbijzijnde bos renden of de binnenplaats van de grote herberg inspecteerden.

In Malojaroslavets, waar in 1812 slag geleverd was toen het Russische Leger vergeefs geprobeerd had Napoleon te stoppen bij zijn terugtocht nit Moskou, brachten we gewoonlijk de nacht door. Poulain, die tijdens de Spaanse veldtocht gewond geraakt was, wist — of deed alsof — alles van de slag bij Malojoraslavets af. Hij nam ons mee naar het slagveld en legde uit hoe de Russen trachtten Napoleons voorsprong te niet te doen en hoe de Grande Armee hen verpletterde en zich een weg baande door de Russische linies. Hij vertelde het, als had bij zelf aan de slag deelgenomen. Hier ondernamen de kozakken een poging tot 'un mouvement tournant', maar Davoust, of een anders maarschalk, joeg hen op de vlucht en zette hen na tot over de heuvels hier rechts. En daar verpletterde de linkervleugel van Napoleon de Russische infanterie en hier zette Napoleon zelf, aan het hoofd van de Oude Garde een aanval in op Koetoezovs tantrum en overlaadde zichzelf en zijn wacht met onsterfelijke roem.

Een keer volgden we de oude weg naar Kaloega en hielden stil bij Taroetino; maar hier was Poulain veel minder welbespraakt. Want op doze plaats was het dat Napoleon, die van plan was langs een zuidelijke weg terug to trekken, na een bloedige slag gedwongen word om dit plan op to geven; hij was genoodzaakt de weg naar Smolensk to volgen, die door zijn leger vernield was tijdens zijn opmars naar Moskou. Maar, zoals Poulain ons vertelde, dat kwam doordat Napoleon door zijn maarschalken bedrogen werd; anders was hij wel rechtstreeks naar Kiev en Odessa opgerukt en dan zouden zijn adelaars zich boven de Zwarte Zee verheven hebben.

Voorbij Kaloega moesten we door een prachtig pijnbos heen, zeven kilometer breed, waaraan ik een van de prettigste herinneringen uit mijn jeugd hob overgehouden. In het zand van dat bos zakte je zo diep weg, dat het wel de Afrikaanse woestijn leek en de hele weg legden we te voet af, terwijl de paarden voortdurend stilhoudend de koetsen langzaam door het zand trokken. Toen ik zo'n jaar of tien was, vond ik het heerlijk om de hele familie achter me te laten en het hele eind alleen af te leggen. Reusachtige rode pijnbomen, eeuwenoud, verrezen aan beide kanten van de weg, en geen geluid was hoorbaar; alleen de stemmen van de hoge bomen. In een kleine kloof murmelde een frisse, kristalheldere bron, waarin een voorbijganger een trechtervormig kommetje van berkenbast had achtergelaten, met een gespleten stok als handvat, ten gerieve van degenen die na hem kwamen. Geruisloos rende een eekhoom een boom in en het kreupelhout was even vol geheimen als de bomen. In dat bos voelde ik voor het eerst de liefde tot de natuur en werd ik mij voor het eerst vaag bewust van de onafgebroken kringloop ervan.

Na het bos staken we per veerpont de Oegra over, waarna we de hoofdweg verlieten en op smalle landweggetjes terechtkwamen, waar de groene halmen van de rogge zich naar de koets toe bogen. De paarden slaagden erin heel wat af te grazen aan de zijkanten van de weg, terwijl ze dicht tegen elkaar aangedrukt liepen over het smalle pad, dat eerder op een greppel leek. Ten slotte verschenen de wilgen in het gezicht, die aan het begin van ons dorp stonden en opeens zagen we de sierlijke bleekgele klokketoren van de kerk van Nikolskoje oprijzen.

Nikolskoje was uiterst geschikt voor het kalme leventje dat de land-boeren in die tijd plachten to leiden. Enige luxe was er niet (zoals op de rijkere landgoederen), maar gebouwen en tuinen waren op artistieke manier gerangschikt, evenals de algehele ordening. Behalve het hoofdgebouw dat vader kortelings had laten bouwen, stonden rondom een ruime, good onderhouden binnenplaats verschillende kleinere huisjes, die een grotere mate van vrijheid aan hun bewoners lieten en toch de nauwe familieband niet verbraken. Een reusachtige boomgaard stond vol met uitsluitend fruitbomen en aan het eind ervan lag de kerk; op het zuidelijke gedeelte van het land dat tot de rivier liep, was een wandelpark aangelegd, waar bloembedden afgewisseld werden door lanen met lindebomen, seringen en acacia's. Vanaf het balkon van het hoofdgebouw had je een prachtig uitzicht over de rivier, op de ruïnes van een oud aarden fort, waarin de Russen hardnekkig weerstand geboden hadden aan de Mongoolse invasie en verder nog op uitgestrekte gele korenvelden, aan de horizon omzoomd door bossen.

Toen ik nog heel jong was, woonden we met Poulain in een van de vrijstaande huisjes, helemaal op onszelf; en nadat zijn manier van opvoeden milder geworden was door tussenkomst van onze zuster Hélène, konden we het uitstekend met elkaar vinden. Vader was altijd van huis gedurende de zomer, die hij doorbracht met militaire inspecties, en onze stiefmoeder besteedde niet veel aandacht aan ons, vooral niet na de geboorte van haar eigen kind, Pauline. Zodoende waren we altijd samen met Poulain, die ten volle genoot van het verblijf op het land, en ons daardoor mee liet genieten: de bossen, de wandelingen langs de rivier, het klimmen over de heuvels naar het oude fort, dat Poulain voor ons deed herleven door to vertellen hoe de Russen het verdedigd hadden en hoe het tenslotte door de Tartaren word ingenomen; de kleine avonturen, waarbij Poulain onze held werd door Alexander van de verdrinkingsdood to redden; een toevallige ontmoeting met wolven — er kwam geen eind aan alle nieuwe verrukkelijke indrukken die we opdeden.

Ook werden er grote partijen georganiseerd, waaraan de hele familie deelnam; somrs was dat paddestoelen plukken in het bos, waarna we midden in het woud thee dronken bij een man van honderd jaar oud, die daar alleen met zijn kleinzoontje woonde en voor de bijen zorgde. Een andere keer gingen we naar een van vaders dorpen waar een grote vijver gegraven was, waarin duizenden goudkarpers zwommen. Die werden gevangen en een deel ervan ging naar de landheer, waarna de rest verdeeld word onder de boeren. Mijn vroegere kinderjuffrouw woonde in dat dorp. Haar familie was een van de armste; bchalve haar man had ze alleen een zoontje om haar te helpen en een dochtertje, mijn zoogzusje, dat later ging prediken en `maagd' werd in de nonconformistische sekte, waartoe ze behoorden. Haar vreugde kende geen grenzen toen ik haar kwam opzoeken. Room, eieren, appels en honing was het enige dat ze to bieden had; maar de manier waarop ze dit aanbood, op heldere houten borden op een fijn tafellaken van sneeuwwit linnen van eigen maaksel (bij de Russische nonconformisten is absolute reinheid een onderdeel van hun overtuiging), de hartelijke woorden die ze tot me richtte, als was ik haar eigen zoon, gaven me een warm gevoel in het hart. Hetzelfde kan gezegd worden van de verzorgsters van mijn oudere broers Nicolaas en Alexander, die behoorden tot de vooraanstaande families van twee andere nonconformistensekten in Nikolskoje. Maar weinigen weten welk een schat aan goedheid gevonden kan worden in de harten van Russische boeren, zelfs na eeuwenlange wrede onderdrukking, die tot verbittering had kunnen Leiden.

Als het slecht weer was, had Poulain een overvloed van verhalen in voorraad om ons te vertellen, met name over de veldtocht in Spanje. Telkens weer opnieuw haalden wij hem over te vertellen hoe hij in de slag gewond raakte, en telkens als hij vertelde hoe hij het warme blood in zijn laars voelde stromen, sprongen we op om hem te kussen en gaven we hem allerlei koosnaampjes.

Alles scheen er op uit om ons voor te bereiden op een militaire loopbaan: de voorkeur van mijn vader (het enige speelgoed dat hij, voor zover ik het mij herinner, ooit voor ons gekocht heeft, was een geweertje en een echt schildwachthuisje), de oorlogsverhalen van Poulain, ja, zelfs de boeken die tot onze beschikking stonden. Deze boeken hadden ooit aan generaal Repninsky behoord, de grootvader van mijn moeder, die een geleerd militair geweest was in de achttiende eeuw. Het waren hoofdzakelijk boeken over oorlogvoeren, rijk geillustreerd en prachtig in leer gebonden. Als het slecht weer was, vermaakten we ons met het bekijken van de illustraties in deze boeken, waarop alle wapens afgebeeld stonden vanaf de tijd van de joden, plus kaarten van alle veldslagen die sinds Alexander van Macedonia geleverd waren. Deze zware boeken waren ook uitstekend geschikt om sterke forten van te bouwen, die de slagen van een stormram konden weerstaan, evenals de projectielen van een archimedische katapult (die echter voortdurend stenen door de ramen slingerde en daarom al snel verboden werd). Toch werden noch Alexander noch ik militair. De literatuur uit de jaren zestig deed hetgeen we in onze kinderjaren geleerd hadden, vervagen.

Poulains opvattingen over revolutie waren die van de Illustration Française, waarvan hij oude rummers ontving en waarvan wij alle houtsneden kenden. Heel lang kon ik me een revolutie slechts voorstellen in de gestalte van de Dood op een paard, met de rode vlag in de ene hand en een zeis in de andere, links en rechts mensen neermaaiend. Zo werd het voorgesteld in de Illustration. Maar ik geloof nu dat Poulains afkeer zich beperkte tot de opstand van 1848, want een van zijn verhalen over de revolutie van 1789 maakte diepe indruk op me.

De titel van prins werd in ons huis te pas en te onpas gebruikt. Dit moet Poulain geschokt hebben, want op een keer begon hij ons te vertellen wat hij wilt van de grote Revolutie. Ik herinner me nu niet meer precies wat hij vertelde, maar een ding weet ik nog goed, namelijk dat graaf Mirabeau en andere edelen op een dag afstand deden van hun titels, en dat graaf Mirabeau, om zijn verachting kenbaar to maken voor de aristocratische pretenties, een winkel opende met het uithangbord `Mirabeau, kleermaker'. (Ik geef het verhaal weer zoals Poulain het me vertelde.) Nog lange tijd daarna maakte ik me zorgen over het vak dat ik zou moeten kiezen, om te kunnen schrijven: `Kropotkin, vakman in dat en dat ambacht'. Later stuurden mijn Russische leraar Nikolaj Pavlovitsj Smirnov en de algemene republikeinse tendens in de Russische literatuur me in diezelfde richting. En toen ik romans begon te schrijven — dat wit zeggen op mijn twaalfde jaar — deed ik dat dan ook onder de naam P. Kropotkin. Hieraan hob ik mij altijd gehouden, ondanks de protester van mijn meerderen toen ik in militaire dienst was.

VIII

In de herfst van 1852 werd mijn broer Alexander naar het cadettenkorps gestuurd en van die tijd af zagen we elkaar alleen nog tijdens de vakanties en af en toe op zondagen. Het cadettenkorps was zeven kilometer van ons huis verwijderd en al hadden we twaalf paarden, toch was het altijd zo dat er geen paard meer vrij was als er een slee naar het korps gestuurd moest worden. Mijn oudste broer Nicolaas kwam maar zelden thuis. De betrekkelijke vrijheid die Alexander op school genoot en met name de invloed van twee van zijn leraren in de letterkunde, brachten zijn ontwikkeling snel op gang en verderop zal ik gelegenheid te over hebben om melding te maken van de weldadige invloed die hij uitoefende op mijn eigen ontwikkeling. Het is een groot voorrecht om een liefhebbende, intelligente oudere broer te hebben gehad.

Intussen bleef ik thuis. Ik moest wachten tot het mijn beurt was om toe te treden tot het pagekorps en dat gebeurde pas toen ik al bijna vijftien was. Poulain was ontslagen en in plaats daarvan was er een Duitse huisleraar aangesteld. Hij was een van die idealisten die men wel vaker onder Duitsers vindt, maar ik herinner me hem hoofdzakelijk door de enthousiaste manier waarop hij Schiller placht to declameren, terwijl hij zijn woorden vergezeld liet gaan van een uiterst naïeve manier van acteren. Hij bleef maar een winter bij ons.

De winter daarna werd ik naar het Moskouse gymnasium gestuurd; en ten slotte bleef ik alleen over met onze Russische leraar Smirnov. Al gauw werden we vrienden, vooral nadat mijn vader ons beiden meegenomen had op een reis naar zijn landgoed in Rjazan. Gedurende deze reis gaven we ons over aan alle soorten van genoegens en we bedachten grappige verhaaltjes bij de mensen en de dingen die we zagen; onderwijl voegden de indrukken die ik opdeed tijdens het rijden door het heuvelachtige landschap weer nieuwe en fijnere nuances toe aan mijn groeiende liefde voor de natuur. Door de impulsen die Smirnov mij gaf, begon mijn literaire smaak zich ook te ontwikkelen en gedurende de jaren 1854 tot 1857 had ik volop de gelegenheid om ze volledig te ontplooien. Mijn leraar, die omstreeks deze tijd zijn studies aan de universiteit beëndigd had, kreeg een klein klerkenbaantje bij het gerechtshof en bracht daar de ochtenden door. Zo was ik tot etenstijd aan mezelf overgelaten en nadat ik mijn lessen voorbereid had en een wandeling had gemaakt, had ik nog volop tijdom te lezen en vooral to schrijven. In de herfst, toen mijn leraar naar zijn kantoor in Moskou terugkeerde terwijl wij op het platteland bleven, was ik weer op mezelf aangewezen en al verkeerde ik in de familiekring en bracht ik heel wat tijd door met het doen van spelletjes met mijn kleine zusje Pauline, in feite kon ik vrij over mijn tijd beschikken om te lezen en te schrijven.

Het lijfeigenschap liep in die tijd op z'n eind. Het ligt nog in een nabij verleden — het lijkt of het gisteren was. En toch beseffen slechts weinigen, zelfs in Rusland, wat het lijfeigenschap in werkelijkheid betekende. Men heeft een vaag idee dat de omstandigheden waaronder het tot stand kwam, heel slecht waren; maar die omstandigheden en hun effect op lichaam en geest van de mensen zijn niet algemeen bekend. Het is werkelijk verbijsterend om te zien hoe snel een dergelijke instelling met haar sociale consequenties in de vergetelheid raakt, als zij ophoudt te bestaan, en met welk een snelheid mensen en dingen veranderen. Ik zal proberen me de omstandigheden te herinneren rond het lijfeigenschap door te vertellen wat ik zelf gezien heb, en niet wat ik gehoord heb.

Oeljana, de huishoudster, staat in de gang voor de deur van mijn vaders kamer en slaat een kruis; ze durft noch naar binnen te gaan, noch weg te lopen. Eindelijk gaat ze de kamer binnen, na een gebedje te hebben gepreveld, en rapporteert op nauwelijks hoorbare toon dat de voorraad thee bijna uitgeput is; dat er nog maar twintig pond suiker over is en dat ook de andere voorraden bijna op zijn.

'Dieven, rovers!' schreeuwt mijn vader. 'En jij, jij speelt met hen onder een hoedje!' Zijn stem davert door het huis. Mijn stiefmoeder laat Oeljana de kastanjes uit het vuur halen. Maar vader schreeuwt: Trol, roep de prinses! Waar is ze?' En als ze binnenkomt ontvangt hij haar met dezelfde verwijten.

`Jij heult ook met dat nageslacht van Ham; jij houdt hun de hand boven het hoofd;' en zo gaat hij maar door, een half uur of nog langer.

Dan gaat hij zijn berekeningen controleren. Tegelijkertijd denkt hij aan het hooi. Frol wordt weggestuurd om te kijken hoeveel er nog over is en mijn stiefmoeder moet mee om het te controleren, terwijl vader berekent hoeveel er nog in de schuur moet liggen. Een aanzienlijkc hoeveelheid hooi blijkt te zijn verdwenen en Oeljana kan een aantal pond van dit of dat niet verantwoorden. Vaders stem klinkt steeds dreigender; Oeljana beeft; maar nu krijgt de koetsier, die net binnenkomt, de wind van voren. Vader spring op hem af, slaat hem, maar deze blijft volhouden: 'Uwe hoogheid moet een fout gemaakt hebben.'

Vader slaat opnieuw aan het rekenen, en deze keer blijkt er meer hooi in de stal aanwezig te zijn dan hij berekend had. Het schreeuwen gaat door: nu verwijt hij de koetsier dat hij de paarden niet hun daelijks rantsoen gegeven heeft; maar de koetsier roept alle heiligen aan om te getuigen dat hij de dieren hun deel gegeven heeft en Frol wendt zich tot de Heilige Maagd om hem kracht te geven. Maas vader laat zich niet sussen. Hij roept Makar binnen, de pianostemmer en tweeds butler, en brengt hem al zijn zonden in herinnering. Vorige week was hij dronken, en gisteren zal hij ook wel in de olie geweest zijn want hij heeft zes borden gebroken. In feite was het breken van die borden de werkelijke aanleiding tot alle opwinding: mijn moeder had het 's morgens aan mijn vader gemeld en daarom had hij Oeljana meer verwijten naar het hoofd geslingerd dan anders, daarom was hij het hooi gaan controleren, en daarom bleef vader maar roepen dat 'dit nageslacht van Ham' alle straffen ter wereld verdiende.

Plotseling bedaart de storm. Mijn vader gaat aan tafel zitten en schrijft een briefje: 'Breng Makar met dit briefje naar het politiebureau en laat hem honderd dagen toedienen met de berkenroede.'

Schrik en stomme verbijstering heersen alom in huis.

De klok slaat vier uur en we gaan allemaal aan tafel; maar niemand heeft trek en de soep blijft onaangeroerd op de borden. We zijn met z'n tienen aan tafel en achter elk van ons staat een violist of trombonist met een schoon bord in zijn linkerhand; maar Makar is er niet bij.

'Waar is Makar?' vraagt mijn stiefmoeder. 'Ga hem halen.'

Makar komt niet opdagen en de order wordt herhaald. Ten slotte komt hij binnen, bleek, met verwrongen gelaat, beschaamd met neergeslagen ogen. Vader staart naar zijn bord en mijn stiefmoeder, ziende dat niemand zijn soep heeft aangeraakt, probeert ons te bemoedigen.

'Vinden jullie ook niet kinderen,' zegt ze, 'dat de soep heerlijk is?

Tranen verstikken me en zodra het diner voorbij is, ren ik weg om Makar in een donkere gang op te zoeken; ik probeer hem de hand te kussen, maar hij trekt die weg en zegt, als verwijt of als vraag: 'Laat me met rust; als je straks volwassen bent, zul jij dan ook niet precies zo zijn?'
'Nee, nee, nooit!'

Toch was vader niet de ergste onder de landeigenaars. Integendeel, de bedienden en boeren beschouwden hem als een van de beste. Wat we zojuist in ons huis zagen gebeuren, had overal plaats, op vaak veel wredere wijze. Het geselen van lijfeigenen was een normale taak voor politie en brandweer. Op een keer merkte de ene landeigenaar tegen de andere op: 'Hoe komt het toch dat het aantal zielen op jouw landgoed zo langzaam toeneemt? Je let zeker niet op hun huwelijken.'

Een paar dagen later keerde de generaal terug naar zijn landgoed. Hij liet een lijst maken van alle inwoners van zijn dorp en pikte alle namen eruit van de jongens vanaf achttien en de meisjes die net zestien geworden waren, — dat is in Rusland de wettelijke minimumleeftijd voor een huwelijk. Toen schreef hij op: 'Ivan trouwt met Anna, Pavel trouwt met Parasjka,' en zo door tot hij vijf paren bij elkaar had. 'De vijf huwelijken,' voegde hij eraan toe, `moeten over tien dagen plaatsvinden, zondag over een week.'

Een algemene wanhoopskreet steeg op uit het dorp. Alle vrouwen, jong en oud, huilden; Anna had gehoopt met Gregory te trouwen; Pavels ouders hadden al eens met de Fedotovs gepraat over hun dochter, die al spoedig de huwbare leeftijd zou bereiken. Bovendien was het het seizoen voor ploegen, niet voor trouwen; en hoe kun je nu een huwelijk voorbereiden in tien dagen? Tientallen boeren gingen de landeigenaren opzoeken; boerenvrouwen stonden in groepjes bij de achteringang van het landgoed met fijn linnen voor de vrouw van de landeigenaar, in de hoop zich van haar voorspraak te verzekeren.

Allen tevergeefs. De meester had vastgesteld dat de huwelijken op die en die dag voltrokken moesten worden en zó moest het gebeuren.

Op de vastgestelde dag trek de huwelijksstoet, die in dit geval meer op een begrafenisstoet leek, naar de kerk. De vrouwen slaakten luide kreten, zoals gebruikelijk is bij begrafenissen. Een van de huisknechten werd naar de kerk gestuurd om aan de meester verslag uit te brengen, zodra de huwelijken gesloten waren; maar al gauw kwam hij aanhollen met zijn muts in de hand, bleek en ontdaan.

`Parasjka,' zei hij, `sputtert tegen; ze weigert met Pavel te trouwen. Vader (daarmee bedoelde hij de priester) vroeg haar: `Stemt gij daarin toeT maar ze antwoordde met luide stem. 'Nee, dat doe ik niet!'

De landeigenaar werd razend. 'Ga die langharige dronkelap (hij bedoelde de priester; de Russische priestess dragen hun haar lang) zeggen, dat als Parasjka niet meteen trouwt, ik hem als dronkaard bij de aartsbisschop ga melden. Hoe durft die kerkse smeerlap me te dwarsbomen! Zeg hem dat ik hem naar een klooster zal sturen om daar te verrotten en Parasjka's familie stuur ik naar de steppen.'

De huisknecht bracht de boodschap over. Parasjka's familie en de priester verdrongen zich om het meisje been; haar moeder viel huilend voor haar op de knieen en smeekte haar om niet de hele familie in het ongeluk te storten. Het meisje bleef zeggen: `Ik wil niet' maar het klonk steeds zwakker, teen fluisterde ze het, tot ze ten slotte zweeg. De huwelijkskroon werd haar op het hoofd gezet; ze bood been tegenstand meer en de huisknecht rends zo hard hij ken naar list huis om mee te delen: 'Ze zijn getrouwd.'

Een half uur later weerklonken de belletjes van de huwelijksstoet bij de poort van het huis. De vijf paren stegen uit de wagens en gingen de hal binnen. De landeigenaar ontving hen en bood hun glazen wijn aan, terwijl de ouders hun huilende dochters bevalen zich ter aarde te buigen voor hun heer.

Gedwongen huwelijken kwamen zo algemeen voor dat telkens als een jongeman en een meisje van ons personeel voorzagen dat men hen wel eens aan elkaar zou kunnen koppelen, al hadden ze geen speciale gevoelens in die richting, ze hun voorzorgen namen: ze zorgden er dan voor samen peetvader en -moeder te zijn bij de doop van een kind van een van de boerenfamilies. Dit maakt een huwelijk onmogelijk, volgens de Russische kerkelijke wet. Gewoonlijk had deze strategie succes, maar een keer liep het uit op een drama. Andrej, de kleermaker, werd verliefd op een meisje dat aan een van onze buren behoorde. Hij hoopte dat mijn vader hem toestemming zou verlenen om als vrij man zijn beroep uit te oefenen, in ruil voor een bepaalde som gelds per jaar, zodat hij door hard werken wat geld opzij zou kunnen leggen om het meisje vrij te kopen. Anders zou ze, door te trouwen met een van mijn vaders lijfeigenen, zelf gaan behoren aan haar mans meester. Aangezien Andrej en een van de meisjes van ons personeel voorzagen dat ze wel eens het bevel zouden kunnen krijgen om te trouwen, zorgden ze ervoor als peetvader en -moeder aanwezig te zijn bij de doop van een kind. Wat ze al gevreesd hadden, gebeurde: op een dag werden ze bij de meester geroepen en het gevreesde bevel werd gegeven.

`We hebben ons altijd aan uw wil onderworpen,' antwoordden ze, `maar een paar weken geleden zijn wij peetouders geweest bij een doop.' En Andrej openbaarde toen ook zijn verlangens en ontvouwde zijn plan. Het resultaat was dat hij naar de rekruteringscommissie gestuurd werd om soldaat te worden.

Onder Nicolaas I bestond er geen algemene dienstplicht zoals nu. De adel en de kooplieden waren vrijgesteld en als er een nieuwe lichting diende te komen, moesten de landeigenaars een bepaald aantal van hun lijfeigenen sturen. Gewoonlijk zorgden de boeren in hun dorpsgemeenschap zelf voor de rekruten, maar het huispersoneel was geheel overgeleverd aan de gunst van hun heer, en als hij over een van hen niet tevreden was, stuurde hij die naar de rekruteringscommissie, die een rekrutenkwitantie verstrekte die veel geld waard was, aangezien hij verkocht kon worden aan degene die als volgende aan de beurt was om soldaat te worden.

De militaire dienst in die tijd was vreselijk. Een man moest vijfentwintig jaar onder de wapenen en het leven van een soldaat was buitengewoon hard. Soldaat worden betekende voorgoed weggerukt worden van de geboorteplaats en overgeleverd te zijn aan de willekeur van officieren als Timofejev, die ik al eerder genoemd heb. Het uitdelen van slaag door officieren met berkenroeden en stokken om het minste of geringste, was een normale zaak. De wreedheid waaraan men blootstond tartte elke beschrijving. Zelfs in het cadettenkorps, waar alleen de zonen van de adel opgeleid werden, werden soms duizend stokslagen als straf gegeven, in aanwezigheid van het hele korps, voor een sigaret — dan stond de dokter bij de knaap die gemarteld werd en gaf pas bevel de straf te beëndigen als de pols zwakker werd. Het bloedende slachtoffer werd bewusteloos naar het hospitaal gebracht. De commandant van de militaire scholen, groothertog Michael, placht de bevelhebber over een korps dat dit niet minstens eenmaal per jaar bij de hand had, snel te vervangen. 'Geen discipline,' schijnt hij gezegd te hebben.

Gewone soldaten waren nog veel slechter af. Als een van hen voor een krijgsraad moest verschijnen, luidde het vonnis vaak dat duizend man zich in twee rijen tegenover elkaar moesten opstellen, elk gewapend met een riet ter dikte van een pink (deze roeden waren onder de Duitse naam bekend: Spitzruthen, spitsroeden). De veroordeelde werd dan drie, vier, vijf, zeven keer tussen die twee rijen door gesleept, waarbij iedere soldaat hem een slag toediende. Sergeants zagen erop toe dat er uit alle macht geslagen werd. Nadat het slachtoffer een- of tweeduizend slagen te verwerken gehad had, werd hij bloedspuwend naar het ziekenhuis gebracht en verzorgd, om zodra hij zich enigszins hersteld had van de gevolgen van het eerste deel, de rest van de straf in ontvangst te nemen. Als hij tijdens deze martelgang stierf, werd het vonnis verder aan zijn lijk voltrokken. Nicolaas I en zijn broer Michael kenden geen medelijden; intrekking van het vonnis was onmogelijk. `Ik zal je tussen de rijen doorsturen; ik laat je spitsroeden lopen' waren bedreigingen die deel uitmaakten van het dagelijks taalgebruik.

Een angstige dreiging verspreidde zich door ons huis toen bekend werd dat een van de bedienden gerekruteerd zou worden. De man werd geketend en onder bewaking in het kantoor opgesloten om zelfmoord te voorkomen. Een boerenkar werd tot vlak voor de deur gereden en de gedoemde werd tussen twee bewakers in naar buiten geleid. Alle bedienden verdrongen zich om hem heen. Hij maakte een diepe buiging en vroeg vergeving voor alle opzettelijke of niet-opzettelijke beledigingen, hen aangedaan. Als zijn vader en moeder in ons dorp woonden, kwamen ze afscheid nemen. Hij maakte dan een diepe buiging voor hen, waarop zijn moeder en andere vrouwelijke verwanten luidkeels begonnen te weeklagen — iets dat leek op een lied en tegelijk op een verhaal: 'Voor wie verlaat je ons? Wie zal er in vreemde landen voor je zorgen? Wie zal je tegen wreedheden beschermen?' — op precies dezelfde wijze als ze weeklaagden op een begrafenis en met dezelfde bewoordingen.

En zo moest Andrej zich nu vijfentwintig jaar lang schikken in het lot van een soldaat: aan zijn hoopvolle fantasieën werd wreed een eind gemaakt.

Het lot van een van de meisjes, Pauline, of Polja, zoals ze genoemd werd, was nog tragischer. Ze was in de leer geweest bij fijne borduursters en ze was er een ware kunstenares in. In Nikolskoje stond haar borduurraam in de kamer van mijn zusje Hélène en ze nam dikwijls deel aan de gesprekken tussen mijn zusje en een zusje van mijn %Iiefmoeder die bij Hélène logeerde. Allen bij elkaar, door haar gedrag en haar manier van spreken, was Polja meer een ontwikkelde jonge vrouw dan een meid in ons huis.

Het ongeluk trof haar; ze besefte dat ze spoedig moeder zou worden. Ze vertelde alles aan mijn stiefmoeder die een stroom van verwijten over haar losliet: `Ik wil dat schepsel geen moment langer in mijn huis hebben! Ik duld een dergelijke schande niet in mijn huffs!' en zo verder. De tranen van Hélène haalden nets uit. Polja's haar werd afgeknipt en ze werd naar het melkhuis verbannen; maar aangezien ze net een buitengewoon mooie rok aan het borduren was, moest ze die daar afmaken, in het melkhuis, een smerig hutje, bij een minuscuul raampje. Ze maakte die rok af en nog veel meer mooie borduurwerken, alles in de hoop op vergeving. Maar vergeving schonk men haar nooit.

De vader van haar kind, een bediende van een van onze buren, vroeg verlof om met haar te trouwen, maar aangezien hij geen geld te bieden had, werd zijn verzoek afgewezen. Polja's `te deftige manieren' werden haar kwalijk genomen en men had een uiterst bitter lot voor haar in petto. Onder ons personeel bevond zich een man die wegens zijn geringe lengte als postiljon dienst deed; men noemde hem `Flika met de o-benen'. Toen hij jong was had een paard hem getrapt en hij was niet verder gegroeid. Zijn benen waren krom, zijn voeten stonden naar binnen; hij had eens een gebroken neus gehad die nu scheef stond en zijn kaak was misvormd. Men besloot dat Polja met dit monster moest trouwen — en zij werd er met geweld toe gedwongen. Het paar werd naar mijn vaders landgoed in Rjazan gestuurd om daar te gaan boeren.

Menselijke gevoelens werden niet erkend; men dacht er niet eens aan als het om lijfeigenen ging en toen Toergenjev zijn korte verhaal `Moemoe' publiceerde en Grigorovitsj zijn aangrijpende romans begon uit te geven, waarin hij zijn lezers tranen deed storten our het ongelukkige lot van de lijfeigenen, was dit voor heel veel mensen een schokkende openbaring. 'Ze beminnen net als wij! Hoe is dat mogelijk?' riepen de sentimentele dames uit, die geen Franse roman konden lezen zonder hete tranen te schreien om het zorgelijke lot van de edele helden en heldinnen.

De opleiding die de landeigenaars soms aan een van hun lijfeigenen gaven, vormde slechts een andere bron van ongeluk voor de laatsten. Mijn vader haalde eens uit een van de boerenfamilies een schrandere jongen en liet hem opleiden tot doktersassistent. De jongen was leergierig en na een paar jaar werd het een doorslaand succes. Toen hij naar huis terugkeerde, kocht mijn vader alles wat nodig was voor een goed uitgeruste apotheek, die hij in een van de bijhuizen van Nikolskoje liet inrichten. 's Zomers was Sasja de dokter — dat was de naam waaronder hij bij het personeel bekend was — druk bezig met het verzamelen en bereiden van allerlei geneeskrachtige kruiden, en binnen korte tijd was hij wijd en zijd bekend in de omtrek van Nikolskoje. De zieke boeren kwamen zelfs uit naburige dorpen en mijn vader was trots op het succes van zijn apotheek. Maar deze toestand duurde niet voort. Eens, in een winter, ging mijn vader naar Nikolskoje, bleef daar een paar dagen en vertrok weer. Die avond schoot Sasja, de dokter, zichzelf dood — per ongeluk naar men zei; maar er lag een liefdesgeschiedenis aan ten grondslag. Hij was verliefd op een meisje waar hij niet mee kon trouwen, daar ze aan een andere landeigenaar behoorde.

Het geval van een andere jongeman, Gerasim Kroeglov, die mijn vader aan het landbouwkundig instituut te Moskou liet opleiden, was bijna even triest. Hij legde zijn examens op briljante wijze af, kreeg een gouden medaille, waarna de directeur van het instituut alle mogelijke moeite deed om mijn vader te bewegen hem de vrijheid te geven om hem de universiteit te laten bezoeken — lijfeigenen liet men daar niet toe. 'Het staat vast dat hij een opmerkelijk mens wordt,' zei de directeur, `misschien wel een van de roemrijke mannen van Rusland en u zal die eer te beurt vallen, aangezien u zijn capaciteiten herkend hebt en hem in de gelegenheid gesteld hebt zich aan de Russische wetenschap te wijden.'

`Ik heb hem op mijn eigen landgoed nodig,' antwoordde mijn vader op de vele verzoeken die hem ter wille van de jongeman bereikten. In werkelijkheid was Gerasim Kroeglov absoluut nutteloos bij de primitieve landbouwmethoden die men toen gebruikte en waarvan mijn vader nooit zou afwijken. Hij bracht verslag uit over het landgoed, maar toen dat gebeurd was, beval men hem om in de bediendenkamer te gaan zitten en met een bord bij de tafel te staan als het etenstijd was. Gerasim verafschuwde dit uiteraard; zijn dromen voerden hem naar de universiteit, naar wetenschappelijk werk. Zijn gezicht drukte zijn misnoegen uit en mijn stiefmoeder scheen er een speciaal genoegen in te vinden hem, waar mogelijk, te beledigen. Op een dag in de herfst had een stormvlaag de poort opengerukt. Ze riep hem toe: 'Garaska, doe de poort dicht.'

Dat was de druppel die de emmer deed overlopen. Hij antwoordde: `Daar hebt u een portier voor,' en vervolgde zijn weg.

Mijn stiefmoeder rende mijn vaders kamer binnen en riep: `Jouw bedienden beledigen me in jouw huis!'

Gerasim werd onmiddellijk gearresteerd en in de boeien geslagen om als soldaat weggestuurd te worden. Het afscheid van zijn oude vader en moeder was een van de meest aangrijpende scenes die ik ooit gezien heb.

Deze keer echter nam het lot zijn keer. Nicolaas I stierf en de militaire dienst werd draaglijker. Gerasims grote gaven werden spoedig opgemerkt en binnen enkele jaren was hij een van de hoofdleraren en de werkelijke drijfkracht in een van de departementen van het ministerie van Oorlog. Intussen overtrad mijn vader, die strikt eerlijk was, en — in een tijd waarin bijna iedereen steekpenningen aannam en zo fortuin maakte — nooit een cent aannam, de strenge regels van de dienst om de commandant van het korps waartoe hij behoorde een dienst te bewijzen: hij stond toe dat er een of andere onregelmatigheid plaatshad. Het kostte hem bijna zijn bevordering tot generaal; dat ene doel waarnaar hij steeds gestreefd had tijdens zijn vijfendertigjarige diensttijd leek voorgoed verloren. Mijn stiefmoeder ging naar Sint-Petersburg om de moeilijkheden uit de weg te ruimen, en op een dag, na vele pogingen, zei men haar dat er maar een manier was om te krijgen wat ze verlangde: ze moest zich tot een speciale klerk wenden op een bepaald departement. Hoewel hij slechts een klerk was, was hij het echte hoofd van zijn superieuren, en hij kon alles gedaan krijgen. De naam van deze man was... Gerasim Ivanovitsj Kroeglov!

`Denk je toch eens in, onze Geraska!' zei ze later tegen me. 'Ik heb altijd al geweten dat hij grote capaciteiten bezat. Ik ben hem gaan opzoeken en heb met hem over de zaak gesproken en hij zei: 'Ik heb niets tegen de oude prins en ik zal voor hem doen wat ik kan.'

Gerasim hield woord: hij schreef een gunstig rapport en mijn vader werd bevorderd. Eindelijk kon hij dan de lang begeerde rode broek aantrekken met de roodgevoerde overjas en kon hij de pluim op, zijn helm dragen.

Dit waren dingen die ik zelf in mijn jeugd gezien heb. Als ik echter zou vertellen wat ik in de loop van de jaren gehoord heb, zou het een nog veel gruwelijker verhaal worden: verhalen over mannen en vrouwen die van hun familie en dorp weggerukt werden en verkocht, of verloren werden bij het gokken, of geruild voor een stel jachthonden en vervolgens naar een afgelegen streek van Rusland getransporteerd om daar een nieuw landgoed te stichten. Een verhaal van kinderen, weggehaald bij hun ouders en verkocht aan wrede, zedeloze meesters; een verhaal over ranselpartijen 'in de stallen', hetgeen iedere dag met ongehoorde wreedheid plaatshad; over een meisje dat als enige redmiddel nog de verdrinkingsdood zag; over een oude man, vergrijsd in dienst van zijn meester, die zichzelf ophing onder diens raam; een verhaal over opstanden van lijfeigenen, die door de generaals van Nicolaas I werden neergeslagen door elke vijfde of tiende man uit de rij dood te slaan en het betreffende dorp met de grond gelijk te waken, zodat de inwoners, na een dergelijk militair optreden, om voedsel moesten gaan bedelen in de naburige provincies. Wat de armoede betreft die ik gedurende onze reizen naar bepaalde dorpen zag, vooral in die dorpen die tot het keizerlijk bezit behoorden, die is met geen pen te beschrijven voor mensen die het niet zelf gezien hebben.

De vrijheid was het enige waar de lijfeigenen van droomden — een droom die niet gemakkelijk waar gemaakt kon worden, want er was een flinke som gelds voor nodig om een landeigenaar zover te krijgen dat hij een lijfeigene liet gaan.

`Weet je,' zei mijn vader eens tegen me, `dat je moeder me na haar dood verschenen is? Jullie jongeren geloven niet in dit soort dingen, maar het was wel zo. Op een nacht zat ik nog heel laat hier in deze stoel achter mijn schrijftafel te dommelen; opeens zag ik haar binnenkomen, helemaal in het wit gekleed en erg bleek, met glanzende ogen. Toen ze stervende was, smeekte ze me te beloven dat ik haar meid Masja de vrijheid zou geven en ik gaf haar mijn woord; maar door allerlei omstandigheden verstreek er bijna een heel jaar zonder dat ik mijn belofte vervulde. Toen verscheen ze en zei met een lage stem tegen mij: 'Alexis, je hebt me beloofd Masja de vrijheid te geven; ben je dat vergetenT Ik was erg geschrokken; ik sprong uit mijn stoel maar ze was al verdwenen. Ik riep de bedienden maar niemand had iets gezien. De volgende morgen ben ik naar haar graf gegaan en heb een litanie laten zingen en toen Masja haar vrijheid gegeven.'

Toen mijn vader stierf, kwam Masja naar zijn begrafenis en sprak ik met haar. Ze was getrouwd en leidde een gelukkig leven met haar gezin. Mijn broer Alexis vertelde haar op schertsende wijze wat mijn vader gezegd had en we vroegen haar wat zij ervan wist.

`Dat is allemaal al lang geleden gebeurd,' antwoordde ze, 'en nu kan ik jullie wel de waarheid vertellen. Ik zag dat jullie vader zijn belofte helemaal vergeten was en dus kleedde ik me in het wit en praatte net als jullie moeder. Ik bracht hem de belofte in herinnering die hij haar gedaan had — dat nemen jullie me toch niet kwalijk?'
`Natuurlijk niet!'

Tien of twaalf jaar na de gebeurtenissen die ik eerder in dit hoofdstuk beschreven heb, zat ik eens op een avond in mijn vaders kamer met hem over het verleden te praten. De lijfeigenschap was afgeschaft en mijn vader beklaagde zich over de nieuwe situatie, zij het niet erg van harte; hij had die situatie zonder al te veel moeilijkheden geaccepteerd.

`U bent het toch wel met me eens vader,' zei ik, 'dat u uw bedienden vaak wreed bestrafte en vaak ook zonder reden?'
`Met dat volk kon ik niet anders handelen,' antwoordde hij, terwijl hij in gedachten verzonken achterover leunde in zijn gemakkelijke stoel.
`Maar wat ik deed was nauwelijks de moeite,' zei hij na een lange pauze. 'Neem nu bijvoorbeeld die Sablev: hij ziet er zo zachtaardig uit en spreekt met zo'n dun stemmetje, maar hij gedroeg zich afschuwelijk tegenover zijn lijfeigenen. Hoe vaak ze al niet het plan hebben gehad hem te vermoorden, weet ik niet! Ik heb in ieder geval nooit van de vrouwelijke lijfeigenen geprofiteerd, terwijl die ouwe duivel T. zo vreselijk tekeerging, dat de boerinnen een afschuwelijke straf voor hem in petto hadden... Goede nacht, bonne nuit!'




Tags: Ethiek, Pacifisme, Religie, Samenleving, Seculariteit

Zie ook het archief