hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Geen excuses (Sartre)

21 februari 2013


rtIk ben een bewonderaar van Sartre, niet zozeer omdat zijn filosofische boekhouding klopt, maar omdat hij een kijk op de menselijke conditie heeft die moedig, avontuurlijk en niet kleinburgerlijk is. Verantwoordelijkheid wijst bij Sartre niet op angst, maar op de mogelijkheid van eenieder juist te handelen, en verschil te maken. Sartre spreekt over menselijke mogelijkheden. Zijn filosofie is er vooral op gericht op te roepen tot actie. Daarna, zou ik eraan toevoegen, moet ieder voor zichzelf zijn mogelijkheden ontdekken.

Sartre wil aantonen dat bange mensen zich vergissen: er is geen schuilplaats voor onze vrijheid, onze angst redt ons niet. Ook zij die op allerlei manieren vluchten voor hun vrijheid, zijn veroordeeld vrij te zijn - hun vlucht is hun keuze. Hij maakte volgende bedenking bij Les Chemins de la Liberté:

Dat is wat mensen willen geloven: als je als lafaard bent geboren, hoef je je nergens zorgen over te maken; je kan er niets aan doen; je zal je hele leven een lafaard blijven, wat je ook probeert. Als je als held geboren bent, kan je jezelf evengoed geruststellen; je zal je hele leven een held zijn; je zal drinken als een held en eten als een held. De existentialist zegt dat de lafaard zichzelf tot lafaard maakt, en dat de held zichzelf heldhaftig maakt. Er is altijd een mogelijkheid voor de lafaard niet langer laf te zijn en voor een held om op te houden heldhaftig te zijn. Wat telt is totale betrokkenheid...

§

Vergelijk deze uitspraak met de hedendaagse evolutiebiologie: de menselijke soort is zoals alle soorten ontstaan door natuurlijke selectie, maar de eigenschap waarop primaten en vooral mensen geselecteerd werden, is vrij te kunnen handelen. Dit is zo makkelijk te zien, en zo lonend te ontkennen.

De menselijke mogelijkheden werden vele jaren vóór Sartre al bijzonder gevonden door de Khoi-San, een jagersvolk van Zuidelijk Afrika. Zij zeggen dat in de voortijd een leeuw een nest kon bouwen in een boom en dat vissen konden lopen op het land. Toen gaf Heitsi-Heibib aan elk dier zijn plaats, maar de mensen liet hij vrij hun eigen plaats te kiezen.

In de Renaissance merkte ook de humanist Giovanni Pico della Mirandola de menselijke veranderlijkheid op, en liet de schepper tot Adam hetzelfde zeggen als in de fabel van de Khoi-san (Rede over de menselijke waardigheid):

...de aard van alle schepselen is bepaald en beperkt door de wetten die we hebben uitgevaardigd; u daarentegen hebben we geen beperkingen opgelegd...

we kunnen niet menselijk zijn en terzelfdertijd ontsnappen aan die vrijheid. Daarom zijn we in de essentie van ons wezen, existentieel, tot vrijheid veroordeeld.

Hier ter verdere verduidelijking een citaat uit Existentialism and Human Emotions (mijn vertaling):

Als we God opvatten als een schepper, wordt hij meestal gedacht als een soort superieur ambachtsman. Welke doctrine we ook overdenken, of men de voorkeur nu geeft aan Descartes of aan Leibniz, we aanvaarden steeds dat de wil volgt op het begrip of, minstens, dat zij samengaan, en dat als God schept, hij nauwkeurig weet wat hij schept. Daarom is het concept van de mens in de geest van God vergelijkbaar met het concept van een schaar in de geest van de fabrikant, en God schept de mens naar een concept in de goddelijke verbeelding.
In de achttiende eeuw verwierpen de atheistische filosofen de gedachte aan God, maar niet zozeer de notie dat essentie aan het bestaan voorafgaat. Tot op zekere hoogte vindt men deze opvatting overal; bij Diderot, bij Voltaire, en zelfs bij Kant. De mens heeft een menselijke natuur: deze menselijke natuur, die het concept van het menselijk zijn is, vindt men in alle mensen, wat betekent dat iedere mens een particulier voorbeeld is van een universel concept: de mens. Bij Kant is het gevolg van deze universaliteit dat de wildeman, de natuurmens en ook de bourgeois voldoen aan dezelfde definitie en dezelfde basiskwaliteiten bezitten. Op die wijze gaat ook hier de essentie van de mens vooraf aan het bestaan dat we vinden in de natuur.
Het atheïstische existentialisme waar ik voor sta is meer samenhangend. Het zegt dat als God niet bestaat, er tenminste één wezen is waarin bestaan voorafgaat aan essentie, een wezen dat bestaat alvorens het gedefinieerd kan worden door enig concept, en dat dit wezen de mens is, of zoals Heidegger zegt, de menselijke werkelijkheid.
Wat wordt hier bedoeld met "bestaan gaat vooraf aan essentie"? Het betekent dat de mens vóór alles bestaat, opdaagt, verschijnt op de scene, en eerst daarna zichzelf definieert. Als de mens, zoals de existentialist hem ziet, ondefinieerbaar is, is dat omdat hij eerst niets is. Alleen daarna wordt hij iets, en hij zal zelf datgene gemaakt hebben wat hij zal zijn. Er is dus geen menselijke aard, omdat er geen god is om hem te bedenken. Niet enkel is de mens hoe hij zichzelf bedenkt, maar hij is ook enkel wat hij wil dat hij is nadat hij in het bestaan geduwd werd.
De mens is enkel wat hij zichzelf maakt. Dat is het eerste principe van het existentialisme.

Sartre ontkent, tegen de algemene maar foute aanname van zijn tijd, dat de menselijke aard door God vastgelegd is. Antropologen hebben ons getoond hoe mensen zichzelf (collectief) denken en uiten in verschillende afgezonderde culturen. In de moderne tijd lijkt (leek?) die verscheidenheid tussen groepen zich uit te breiden naar autonomie van individuen. Ik bijvoorbeeld ben mezelf geworden in een lang proces waarover ik macht had, door de boeken te kiezen die ik las en de stappen te kiezen die ik nam. Daardoor ben ik de uitdrukking van hoe ik mezelf bedenk. Ben ik enkel dat? Ja, zegt Sartre want: geen excuses.




Tags: Ethiek, Seculariteit, Wetenschap

Zie ook het archief