hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Wetenschap en religie (Werner Heisenberg)

28 mei 2013


D

eze tekst van Werner Heisenberg herinnert een beetje aan de dialogen van Plato of "De Goden" van Cicero. Het gebeuren speelt zich echter niet af in het oude Athene of Rome, maar op een Solvay Conferentie in Brussel anno 1927. De hoofdrolspelers zijn geen aristokraten, maar grondleggers van de moderne fysica: Werner Heisenberg, Wolfgang Pauli, Paul Dirac, Niels Bohr, en ook nog een beetje Einstein en Max Plank.

De tekst staat oorspronkelijk in Physics and Beyond, maar werd herdrukt in de pocketuitgave van Physics and Philosophy, 2007. Omdat hij volgens mij nergens te vinden is in het Nederlands, hier mijn vertaling.

§

Werner Heisenberg over wetenschap en religie

Op een avond gedurende de Solvay Conferentie bleven enkele van de jongere deelnemers achter in de lounge van het hotel. Bij deze groep waren ook Wolfgang Pauli en ikzelf, en later werden we vervoegd door Paul Dirac. Een van ons zei: "Einstein blijft maar praten over God: wat moeten we daar van denken? Het is bijzonder moeilijk te begrijpen dat een wetenschapper als Einstein zo'n sterke banden kan hebben met een religieuze traditie."

"Niet zozeer Einstein als wel Max Planck," protesteerde iemand. "Uit sommige uitspraken van Planck lijkt het dat hij geen tegenspraak ziet tussen religie en wetenschap, en dat hij zelfs gelooft dat de twee perfect kunnen samengaan." Men vroeg me of ik het standpunt van Planck hierover kende, en wat ikzelf dacht. Ik had enkele keren met Planck gesproken, veeleer over fysica en niet zozeer over algemene zaken, maar ik kende sommige van Planck's beste vrienden, die me verteld hadden over zijn houding.

"Ik neem aan," moet ik geantwoord hebben, "dat Planck religie en wetenschap verenigbaar vindt omdat ze, in zijn opvatting, verwijzen naar twee verschillende facetten van de werkelijkheid. Wetenschap gaat over de objectieve, materiele wereld. Zij vraagt ons nauwkeurige verklaringen over de objectieve werkelijkheid en haar verbanden te begrijpen. Religie aan de andere kant, handelt over de wereld van waarden. Ze vraagt zich af wat zou moeten bestaan en wat we zouden moeten doen, niet wat er is. In de wetenschap beschouwen we wat waar of onwaar is; in religie beschouwt men wat goed of slecht is. Wetenschap is de basis van technologie, religie de basis van ethiek.

Kortom, het conflict tussen beide dat reeds sinds de achttiende eeuw raast, lijkt te steunen op een misverstand, of, nauwkeuriger, op de verwarring tussen de beelden en parabels van religie met wetenschappelijke uitspraken. Vanzelfsprekend houdt de uitkomst geen steek. Deze zienswijze, die ik zo goed ken van mijn ouders, verbindt het ene domein met het objectieve, en het andere domein met het subjectieve aspect van de wereld. Wetenschap zou dan, zogezegd, een manier zijn om de objectieve kant van de werkelijkheid te onderzoeken. Religieus geloof is anderzijds de uiting van subjectieve beslissingen die ons helpen de standaard te kiezen volgens welke we ons voornemen te handelen en te leven. Die beslissingen nemen we duidelijk in overeenstemming met de gewoontes van de groep waarin we ons bevinden, zij het onze familie, natie of kultuur. Onze beslissingen zijn sterk beinvloed door opvoeding en omgeving, maar in de uiteindelijke analyse zijn ze subjectief en dus niet onderhevig aan het 'waar of onwaar' criterium.

Max Planck, als ik hem goed begrijp, heeft gebruik gemaakt van deze vrijheid en heeft resoluut voor de christelijke traditie gekozen. Zijn gedachten en daden, vooral waar ze invloed hebben op zijn persoonlijke relaties, passen perfect in deze traditie, en niemand zal hem daarom minder respecteren. Voor wat hem betreft zijn daarom de twee domeinen - de objectieve en subjectieve aspecten van de wereld - duidelijk gescheiden, maar ik moet toegeven dat ik niet al te gelukkig ben met deze scheiding. Ik betwijfel of menselijke samenlevingen met zo'n scherp onderscheid tussen kennis en geloof kunnnen leven."

Wolfgang was het met me eens. "Daar moeten tranen van komen," zei hij. "Bij de oorsprong van religie was alle kennis van een gemeenschap ingepast in een spiritueel kader, grotendeels steunend op religieuze waarden en ideeën. Dit spirituele kader moest begrijpbaar zijn voor de eenvoudigste leden van de gemeenschap, zelfs wanneer haar parabels en beelden slechts de vaagste aanwijzing gaven van de onderliggende waarden en ideeën. Maar om zelf volgens deze waarden te leven, moest de doorsnee mens ervan overtuigd te zijn dat het spirituele kader de hele wijsheid van zijn gemeenschap bevatte. Want "geloven" betekent voor hem niet "zomaar aannemen", maar eerder het vertrouwen in de leiding door aanvaarde waarden. Daarom is de samenleving in zo'n gevaar telkens nieuwe kennis de oude spirituele vormen uit elkaar doet spatten. De volledige scheiding van kennis en geloof kan in het beste geval een noodmaatregel zijn, die tijdelijk verademing brengt. In de Westerse cultuur bijvoorbeeld zouden we makkelijk het punt kunnen beeiken, in de niet te verre toekomst, waarin de parabels en beelden van de oude religies hun overtuigingskracht hebben verloren zelfs voor de doorsnee persoon; wanneer dat gebeurt, vrees ik dat de hele oude ethiek in elkaar stort als een kaartenhuisje, en dat er onvoorstelbare gruweldaden volgen. Kort gezegd, ik kan niet instemmen met de filosofie van Planck, zelfs wanneer die lokaal werkt en zelfs als ik het menselijk gedrag respecteer waartoe ze leidt.

Ik heb meer begrip voor de opvatting van Einstein. Zij God is op een of andere manier betrokken in de onwrikbare natuurwetten. Einstein heeft een gevoel voor de centrale orde der dingen. Hij neemt die waar in de eenvoud van natuurwetten. We mogen aannemen dat hij deze eenvoud zeer sterk en direct aanvoelde tijdens zijn ontdekking van de relativiteitstheorie.

Toegegeven, dit is ver verwijderd van waar religie voor staat. Ik denk niet dat Einstein gebonden is aan enige religieuze traditie, en ik denk eerder dat de gedachte aan een persoonlijke god hem volledig vreemd is. Maar wat hem betreft is er geen splitsing tussen wetenschap en religie: de centrale orde maakt deel uit van het subjectieve maar ook van het objectieve domein, en dit lijkt me een veel betere startpositie."

"Een startpositie voor wat?" vroeg ik. "Als je de houding van de mens tegenover de centrale orde als een puur persoonlijke zaak beschouwt, dan kan je het eens zijn met Einstein's opvatting, maar dan moet je ook toegeven dat dit standpunt helemaal nergens toe leidt."

"Misschien toch wel," antwoordde Wolfgang. "De ontwikkeling van de wetenschap gedurende de laatste twee eeuwen heeft het menselijke denken veranderd, zelfs buiten het christelijke Westen. Bijgevolg is het belangrijk wat fysici denken. En het was juist de gedachte aan een objectieve wereld die zich afwikkelt in tijd en ruimte volgens strenge causale wetten die een scherp conflict veroorzaakte tussen de wetenschap en de spirituele formuleringen van de onderscheiden godsdiensten. Als wetenschap verdergaat dan deze strenge opvattingen - en dat is gebeurd met de relativiteitstheorie en zal nog verder gaan met de quantumtheorie - dan zal de relatie tussen de wetenschap en wat religies willen uitdrukken opnieuw moeten veranderen. Misschien heeft de wetenschap, door haar ontdekkingen van nieuwe verbanden gedurende de laatste dertig jaar, ons denken een veel grotere diepte gegeven. Het concept van complementariteit, bijvoorbeeld, dat Niels Bohr zo belangrijk vindt voor het begrijpen van de quantumtheorie, was geenszins onbekend bij filosofen, ook al hebben ze het niet zo beknopt onder woorden gebracht. Maar de verschijning ervan in de exacte wetenschap heeft een beslissende verandering teweeggebracht: de gedachte aan materiele objecten die volledig onafhankelijk zijn van de manier waarop we haar observeren bleek enkel een abstracte extrapolatie te zijn, iets wat in de natuur niet bestaat. In Aziatische en Oosterse religies vinden we het idee van complementariteit van een puur kennen zonder object. Ook dit idee zal een denkbeeldige constructie blijken, die niet overeenstemt met enige spirituele of mentale realiteit. In een ruimere context zouden we in de toekomst gedwongen zijn een middenkoers te varen tussen deze extremen, misschien een die uitgetekend werd in Bohr's complementariteitsconcept. Elke wetenschap die zich aanpast aan deze vorm van denken zal niet alleen toleranter zijn tegenover de verschillende soorten religie, maar zal, door haar breder kijkveld, ook bijdragen tot de wereld van waarden."

Paul Dirac had ons inmiddels vervoegd. Hij was net vijfentwintig, en had weinig tijd voor tolerantie. "Ik weet niet waarom we het over religie hebben," wierp hij tegen. "Als we eerlijk zijn - en wetenschappers moeten dat zijn - moeten we toegeven dat religie uit een hoop valse aannames bestaat, zonder grond in de werkelijkheid. De gedachte aan God is een produkt van de menselijke verbeelding. Het is heel begrijpelijk waarom primitieve volkeren, die veel meer waren overgeleverd aan de krachten van de natuur dan wij vandaag, deze krachten personifieerden met angst en beven. Maar vandaag, nu we zoveel natuurlijke processen begrijpen, hebben we geen nood aan ergelijke oplossingen. Al sla je me dood, ik zie niet hoe de veronderstelling van een almachtige god ons in enig opzicht vooruit helpt. Ik zie enkel dat deze aanname tot nutteloze vragen leidt als waarom God zoveel lijden en onrecht toelaat, uitbuiting van armen door rijken en al de andere gruwelen die hij had kunnen voorkomen. Als religie nog steeds onderwezen wordt, is dat niet omdat we nog altijd overtuigd zijn van de gedachte, maar eenvoudig omdat sommigen de lagere klassen rustig willen houden. Rustige mensen zijn zoveel makkelijker te regeren dan lawaaierige ontevredenen.

En ze zijn ook makkelijker uit te buiten.

Religie is een soort opium dat een natie toestaat zichzelf te sussen met wensdromen en de onrechtvaardigheden tegen de bevolking te vergeten. Vandaar de nauwe samenwerking tussen de twee grote politieke krachten, de staat en de kerk. Ze hebben allebei de illusie nodig dat een goede god hen beloont - in de hemel of op aarde - die niet in opstand kwamen tegen onrecht, die zonder klagen, in alle stilte hun plichten deden. Dat is precies de reden waarom de oprechte mening dat God slechts een product van de verbeelding is, als de ergste hoofdzonde wordt gebrandmerkt."

"Nu oordeel je over religie aan de hand van haar politiek misbruik," wierp ik tegen, "en aangezien de meeste dingen in deze wereld misbruikt kunnen worden - zelfs de communistische ideologie die je onlangs opwierp - zijn zulke oordelen ontoelaatbaar. Tenslotte zullen er altijd menselijke samenlevingen zijn, en die moeten een gemeenschappelijke taalgebruik hebben waarin ze kunnen spreken over leven en dood, en over de bredere context waarin hun leven plaatsvindt. De spirituele vorm waar deze zoektocht naar een gemeenschappelijk taalgebruik heeft geleid moet een grote overtuigingskracht gehad hebben - hoe anders kunnen er zoveel mensen zo lang naar geleefd hebben? Zo eenvoudig kan je religie niet afwimpelen. Maar misschien denk je aan een ander soort religie, zoals de oude Chinese, waarin de gedachte aan een persoonlijke god niet voorkomt?"

"Ik keur religieuze mythes af in principe," antwoordde Dirac, "al was het maar omdat de mythes van de verschillende religies mekaar tegenspreken. Het is tenslotte puur toeval dat ik geboren was in Europa en niet in Azië, en dat is dus geen maatstaf om te oordelen wat waar is of wat ik moet geloven. En ik kan enkel de waarheid geloven. En wat juist handelen is, kan ik met rede alleen afleiden uit de situatie waarin ik me bevind: ik bevind me in een gemeenschap met anderen, die ik, in principe, dezelfde rechten moet toekennen als mezelf. Ik moet eenvoudig het juiste evenwicht betrachten, meer kan men niet van me eisen. Al deze praat over God's wil, over zonde en boete, over een wereld hierna waarheen we ons leven moeten richten, dient enkel om de nuchtere waarheid te verbergen. Geloof in God moedigt ons aan te denken dat God wil dat we ons onderwerpen aan een hogere macht, en het is deze gedachte die helpt sociale structuren te behouden die in hun dagen misschien uitstekend waren, maar die niet langer passen in de moderne wereld. Al je opmerkingen over een bredere context en dergelijke komen me onaanvaardbaar over. Alles bij mekaar is het leven net als wetenschap: we ontmoeten problemen en zoeken oplossingen. En we kunnen nooit meer dan een moeilijkheid tegelijk oplossen; je bredere context is niets anders dan een mentale superstructuur die achteraf bedacht is."

Zo ging ons gesprek verder, en we waren allen verbaasd dat Wolfgang zich zo stil hield. Hij zette een lang gezicht of glimlachte nu en dan kwaadaardig, maar zei niets. Op de duur moesten we hem wel vragen wat hij er van vond. Hij leek wat verrast en zei dan: "wel, onze vriend Dirac heeft ook een religie, en zijn leidende gedachte is: er is geen God en Dirac is zijn profeet." Iedereen, Dirac inbegrepen, lachte, en dit was het einde van onze avond in de lounge van het hotel.

Enige tijd later, ik geloof in Kopenhagen, vertelde ik Niels [Bohr] over ons gesprek. Hij sprong onmiddellijk ter hulp van de jongste van de kring. "Ik vind het prachtig," zei hij, "dat Paul zo vastberaden alles verdedigt wat in een heldere en logische taal uitgedrukt kan worden. Hij gelooft dat alles wat gezegd kan worden, helder gezegd kan worden, of, om het met Wittgenstein te zeggen, 'waarover men niet kan spreken, daarover moet men stilte bewaren.' Telkens Dirac me een manuscript zendt is het zo keurig en zonder verbeteringen opgemaakt, dat enkel er naar kijken een esthetisch genoegen is.

Als ik ook maar de minste verandering voorstel, wordt hij heel ongelukkig en gewoonlijk verandert hij helemaal niets. Zijn werk is in elk geval brilliant.

Edouard Manet, Port de Calais
Edouard Manet: Port de Calais. Links beneden een sloep met weerspiegeling
Onlangs gingen we samen naar een tentoonstelling waar een prachtig grijsblauw zeezicht van Manet hing. Op de voorgrond was een boot, en daarnaast, in het water, een donkergrijze vlek zonder duidelijke reden. Dirac zei: 'deze vlek is ontoelaatbaar.' Een vreemde manier om naar kunst te kijken, maar hij had waarschijnlijk gelijk. In een goed kunstwerk moet, net zoals in goed wetenschappelijk werk, elk detail ondubbelzinnig aangebracht zijn; er kan geen ruimte zijn voor toeval. Maar toch is religie nog wat anders. Ik bezie het in hoge mate zoals Dirac: de gedachte aan een persoonlijke God is me vreemd. Maar we mogen niet vergeten dat religie taal gebruikt op een wijze die verschilt van wetenschap. De taal van religie is meer verwant met de taal van poezie dan de taal van de wetenschap. Het is waar dat we de neiging hebben te denken dat wetenschap handelt over objectieve feiten, en poezie over subjectieve gevoelens. Daaruit besluiten we dat als religie over objectieve waarheid handelt, ze aan dezelfde eisen moet voldoen als wetenschap. Maar ikzelf meen dat de splitsing van de wereld in een subjectieve en een objectieve kant ongegrond. Het feit dat religies door de eeuwen heen gesproken hebben met beelden, parabels en paradoxen betekent eenvoudig dat er geen andere manieren zijn om de werkelijkheid te bevatten waar ze naar verwijst. Maar dat betekent niet dat het geen echte werkelijkheid is. En deze werkelijkheid opdelen in een objectieve en subjective kant brengt ons niet ver.

Dat is de reden waarom ik de recente ontwikkelingen in de fysica, die getoond hebben hoe problematisch een opdeling in "objectief" en "subjectief" is, een hele bevrijding van het denken vindt. Het begon allemaal met de relativiteitstheorie. Vroeger werd de verzekering dat twee gebeurtenissen terzelfdertijd plaatsvonden beschouwd als een objectief gegeven, makkelijk mee te delen en makkelijk na te gaan door een toeschouwer. Vandaag weten we dat 'gelijktijdigheid' een subjectief element bevat, inzoverre dat twee gebeurtenissen die gelijktijdig lijken voor een toeschouwer in rust, niet noodzakelijk gelijktijdig zijn voor een toeschouwer in beweging. Anderzijds is ook de relativistische beschrijving objectief, aangezien iedere waarnemer kan berekenen wat de andere waarnemers zien. Zo zijn we een heel eind weg van het klassieke ideaal van objectieve beschrijving. In de quantummechanica is het verschil met dit ideaal nog radikaler. We kunnen nog altijd de objectiverende taal van de klassieke fysica gebruiken om observeerbare feiten te beschrijven. We kunnen bijvoorbeeld zeggen dat een fotografische plaat zwart geworden is, of dat in een wolk druppels gevormd werden [beide fenomenen vonden plaats in de toenmalige experimenten met atomen.] Maar we kunnen niets zeggen over de atomen zelf. En welke voorspellingen we afleiden uit deze waarnemingen hangt af van de manier waarop het experiment was opgevat, volgens de keuze van de waarnemer. Het maakt natuurlijk geen verschil of de waarnemer een mens is, een dier of een apparaat, maar het is niet langer mogelijk voorspellingen te maken zonder verwijzing naar de waarnemer of naar zijn waarnemingsapparatuur.

Op die wijze heeft elk fysisch proces objectieve en subjectieve eigenschappen. De objectieve wereld van de negentiende eeuwse wetenschap was, weten we vandaag, een ideaal, beperkt geval, maar niet de hele werkelijkheid. Toegegeven dat we ook in onze toekomstig onderzoek van de werkelijkheid een onderscheid zullen maken tussen de objectieve en de subjectieve kant om een verdeling te maken. Maar de plaats waar we die scheiding aanbrengen hangt af van de maner waarop we kijken; tot op zekere hoogte kunnen we dit kiezen. Daarom kan ik wel begrijpen waarom we niet over religie kunnen spreken in een objectieve taal. Het feit dat verschillende religies hun inhoud uitdrukken in verschillende vormen is geen echt bezwaar. Misschien moeten we deze uitdrukkingsvormen bekijken als complementaire beschrijvingen die, ook al zijn ze niet verenigbaar, noodzakelijk zijn om de rijke mogelijkheden weer te geven die voortkomen uit de menselijke relatie met de centrale orde."

"Als je zo'n scherp onderscheid maakt tussen de taal van religie, van wetenschap en van kunst," vroeg ik, "welke betekenis hecht ja dan aan zo'n stellige beweringen als 'er is een levende god' of 'er is een onsterfelijke ziel'? Wat is betekenis van 'er is' in dit soort taal? De wetenschap, en Dirac, protesteren tegen dat soort uitspraken. Laat me de kennistheoretische kant van het probleem illustreren met volgende analogie. Wiskundigen werken, zoals men weet, met een denkbeeldige eenheid, de vierkantswortel uit -1, genoemd i. We weten dat i niet bestaat als natuurlijk getal. Toch zijn belangrijke takken van de wiskunde, bijvoorbeeld de theorie van analytische functies, gebaseerd op deze denkbeeldige eenheid.

[...]

Een even abstract concept is dat van oneindigheid, dat ook een belangrijke rol speelt in moderne wiskunde. Ook dat heeft geen overeenkomst, en brengt ernstige problemen mee. Kortom, wiskunde introduceert steeds hogere graden van abstracties om samenhang te vinden in steeds bredere domeinen. Nu om terug te keren naar de oorspronkelijke vraag: is het correct het religieuze 'er is' te beschouwen als een andere maar verschillende poging om grip te krijgen op hogere graden van abstractie? Tenslotte zijn de verbindingen echt genoeg, in welke religieuze vorm we ze ook willen gieten.

"Voor wat de epistemologische kant van het probleem betreft, kan je vergelijking steek houden," antwoordde Bohr. "Maar in andere opzichten houdt ze geen steek. In de wiskunde kunnen we innerlijk afstand houden van onze stellingen. Alles wel beschouwd is wiskunde een mentaal spel dat we kunnen spelen of niet, zoals we willen. Religie daarentegen gaat over onszelf, ons leven en sterven; haar beloften zijn bedoeld om onze daden te sturen en dus, minstens indirect, ons bestaan zelf. We kunnen haar niet onbewogen bekijken van de buitenkant. Bovendoen kan onze houding tegenover religieuze kwesties niet afgezonderd worden van onze houding tegenover de samenleving. Zelfs als religie ontstaan is als de spirituele structuur van een bepaalde menselijke samenleving, kan men betwijfelen of het de sterkste vormende kracht in de geschiedenis is gebleven, en of de samenleving, eenmaal gevormd, nieuwe spirituele structuren voortbrengt en aanpast aan haar eigen graad van kennis. Vandaag lijken individuen vrij hun eigen spiritueel kader voor hun gedachten en daden te kunnen kiezen, en deze vrijheid weerspiegelt het feit dat de grenzen tussen verschillende culturen en samenlevingen vervagen. Maar zelfs als een individu tracht de grootst mogelijke onafhankelijkheid te bereiken, zal hij zich steeds laten leiden door de bestaande spirituele structuren - bewust of onbewust. Want ook hij moet kunnen spreken over leven en sterven en over de menselijke conditie met de andere leden van de samenleving waarin hij besloot te leven. Ook hij zal zijn kinderen moeten opvoeden volgens de normen ingebakken in die samenleving.

Kennistheoretische slimmigheden kunnen hem niet helpen om dit te verwezenlijken. Ook hier is het verband tussen kritisch denken over de spirituele inhoud van een bepaalde religie en daden gebaseerd op de vrijwillige aanvaarding van die inhoud complementair. En zulke bewuste aanvaarding, vervult het individu met vastberadenheid, helpt hem twijfel te overwinnen en, wanneer hij moet lijden, hem het soort vertroosting biedt die enkel geboden kan worden door het gevoel beschermd te zijn onder een allesomvattend dak. In die zin maakt religie het sociale leven meer harmonieus; haar meest belangrije taak is ons te herinneren, in de taal van beelden en parabels, aan het grotere raamwerk waar ons leven deel van uitmaakt."

"Je blijft verwijzen naar de vrije keuze van het individu," zei ik, "en je vergelijkt die met de vrijheid waarmee een fysicus zijn experimenten kan organiseren. Maar de klassieke fysicus had die vrijheid niet. Betekent dat dat de speciale kenmerken van de moderne fysica een licht werpen op het probleem van de vrije wil? Zoals je weet is het feit dat atomaire processen niet gedetermineerd kunnen worden dikwijls gebruikt als een argument voor de vrije wil en goddelijke tussenkomst.

Ik ben ervan overtuigd dat deze houding steunt op een eenvoudig misverstand, of eerder op de verwarring van vragen, die, voor zover ik zie, inbreuk maken op verschillende maar complementaire wijzen om de dingen te beschouwen. Als we over vrije wil spreken, hebben we het over een situatie waarin we beslissingen moeten nemen. Deze situatie en die waarin we de motieven van onze acties analyseren, of zelfs die waarin we fysiologische processen onderzoeken, bijvoorbeeld de electrochemische processen in ons brein, sluiten elkaar uit. Anders gezegd, ze zijn complementair, zodat de kwestie of gebeurtenissen volledig of enkel statistisch door natuurwetten zijn bepaald, geen verband houdt met de kwestie van de vrije wil.

Vanzelfsprekend moeten onze verschillende wijzen om tegen de werkelijkheid aan te kijken na verloop van tijd in elkaar passen, i.e. we moeten hen erkennen als passende delen van dezelfde werkelijkheid, al weten we niet precies hoe. Als we spreken van goddelijke tussenkomst, hebben we het duidelijk niet over de wetenschappelijke bepaling van een gebeurtenis, maar over de betekenisvolle verbinding tussen deze gebeurtenis en andere in dezelfde werkelijkheid of in de menselijke gedachtenwereld. Deze intellectuele verbinding is evenzeer onderdeel van de werkelijkheid als wetenschappelijk oorzaak en gevolg; het zou een te grote vereenvoudiging zijn als we ze enkel zouden bezien als de subjectieve kant van de werkelijkheid. Opnieuw kunnen we iets leren van vergelijkbare situaties in de natuurwetenschappen. Er zijn goed gekende biologische relaties die we niet beschrijven in termen van oorzaak en gevolg maar eerder als doelgericht. Denk slechts aan het herstelproces van een gekwetst organisme. De doelgerichte uitleg heeft een karakteristieke complementaire verhouding met degene die gebaseerd is op de fysico-chemische of of atoomfysische wetten; dat wil zeggen, in het ene geval vragen we ons af of een proces leidt tot het verlangde doel, het herstel van de noirmale omstandigheden van hat organisme; in het andere geval vragen we naar de naar de keten van oorzaak en gevolg die de molecuaire processen bepalen. De twee beschrijvingen sluiten elkaar wederzijds uit, maar spreken elkaar niet noodzakelijk tegen. We hebben goede gronden om aan te nemen dat de quantummechanische wetten aantoonbaar gelden in een levend organisme, envenzeer als in levenloze materie. Evengoed is een dinalistische beschrijving even geldig. Ik geloof dat als de atoomfysica ons iets geleerd heeft, dat is dat we moeten leren meer subtiel te denken dan in het verleden."

"We komen altijd terug tot de kennistheoretische kant van religie," wierp ik tegen. "Maar Dirac's aanval op religie was gericht op haar ethische kant. Dirac keurde speciaal de oneerlijkheid en zelfbedrog af die al te dikwijls samengaan met religieus denken. Maar in zijn afschuw is hij een fanatiek verdediger van rationalisme geworden, en ik heb het gevoel dat rationalisme niet volstaat."

"Ik denk dat Dirac er goed aan deed," zei Niels, "om je zo hevig te waarschuwen tegen de gevaren van zelfbedrog en innerlijke tegenspraak; maar ook Wolfgang deed er goed aan om met een grapje Dirac's aandacht te vestigen op de bijzondere moeilijkheid om volledig aan dit gevaar te ontsnappen."


Niels beeindigde het gesprek met een van die verhalen die hij graag vertelde bij zulke gelegenheden: "Een van onze buren in Tisvilde bevestigde op een dag een hoefijzer boven zijn voordeur. Toen een kennis hem vroeg, "maar ben je echt zo bijgelovig? Geloof je echt dat dit hoefijzer je geluk zal brengen?" antwoordde hij, "natuurlijk niet; maar ze zeggen dat het ook geluk brengt als je er niet in gelooft."




Bronnen:
Physics and Philosophy (HarperCollins 2007)

Tags: religie, wetenschap

Zie ook het archief