hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

De mythe van de christenvervolging (Candida Moss)

20 juni 2013


B

ijMyth of Persecution veel mensen roept het vroege christendom beelden op van duizenden christenen die samengedreven worden in amfiteaters om ongewapend de leeuwen te trotseren. Anderen denken aan martelaren die levend verbrand of onthoofd worden, of onderworpen aan de gruwelijkste folteringen die men zich kan voorstellen.

Candida Moss, professor New Testament and Early Christianity aan de universiteit van Notre Dame (Indiana, USA) onderzocht de historische gegevens en presenteerde de resultaten daarvan in haar boek "The Myth of Persecution: how early christians invented a story of martyrdom" ("De Mythe van de Vervolging: hoe vroege christenen een verhaal over martelaarschap uitvonden")dat dit jaar verscheen. Dit is het vierde boek van Moss. Haar eerste, verschenen in 2010, ontving een Templetonprijs. Die eer zal haar dit keer vermoedelijk niet te beurt vallen, al dient gezegd dat de christelijke intelligentia verrassend meegaand reageerden. Zo noemt Diarmaid McCulloch het nieuwe boek...

de beste soort geschiedschrijving. Heerlijk leesbaar maar toch steunend op buitengewone geleerdheid. Van een grote ernst en toch onderhoudend en verhelderend. En meest van al toont het boek de lezer het belang van het ontmantelen van mythes, zodat we het verleden niet kunnen inroepen om wangedrag vandaag te verontschuldigen.

§

Candida Moss Candida Moss behandelt haar onderwerp grondig. Ze onderzoekt verhalen van martelaarschap in de Griekse en Bijbelse oudheid, en onderzoekt hoe deze het Christusverhaal beïnvloedden. Ze onderzoekt ook verhalen over martelaars uit het vroege christendom - Polycarpus, Perpetua enzovoort - en hoe die beïnvloed zijn door mythes uit de oudheid en door het Christusverhaal. Ik beperk me hier tot haar schets van de christenvervolging gedurende de eerste drie eeuwen, gevolgd door enkele van haar bedenkingen over de risico's van het moderne "martelaarcomplex".

Er is stof voor een tweede blog, maar voorlopig moet dit volstaan.


De christenvervolging

Tussen de dood van Christus en de troonsbestijging van Constantijn in 313, stierven christenen door keizerlijke maatregelen in de nasleep van de brand van Rome in 64; rond 250 onder Decius; in 257-258 onder Valerianus; in 303-305 onder Diocletanus en in 311-313 onder Maximus Daia. Opgeteld is dit tien jaar uit een tijdsspanne van bijna drie eeuwen. En binnen het bestek van deze tien jaar spreken we meestal over lokale, hooguit maanden durende gebeurtenissen.

De mythe van vervolging vangt aan met het stenigen van de Heilige Stefanus, wiens dood meer op een lynchpartij lijkt, maar voor wiens mythe uit het Jezusverhaal geput werd. Zoals Jezus zou Stefanus door joden omgebracht zijn. Paulus zegt dat hij als jood meedeed aan de vervolging van christenen. Deze mythes hebben een enorme invloed gehad op het antisemitisme in de loop van de geschiedenis, tot en met de holocaust. Maar de Handelingen die de marteldood van Stefanus beschrijven (7:58-60) en de Annalen van Tacitus die de vervolging van de christenen na de brand van Rome beschrijven, kunnen niet over christenen gaan. De volgelingen van Jezus vormden in de eerste eeuw nog altijd een van de vele rivaliserende joodse sekten. Eerst aan het einde van die eeuw begonnen ze zich christenen te noemen. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat Nero hen als zondebokken kon uitpikken.

De overheersende houding van de Romeinse gezagsdragers tegenover christenen was onverschilligheid, tenzij ze wetten overtraden die voor iedereen golden. De tweede eeuw kende een economische crisis, en het aantal offers dat de tempels ontvingen daalde zienderogen. Wie weigerde te offeren, werd voorgeleid en een tweede en een derde kans gegeven, en bij koppig volhouden mogelijk terechtgesteld. Christenen werden niet harder aangepakt dan anderen, integendeel: we beschikken over briefwisseling uit 112 waarin keizer Trajanus zijn Turkse gouverneur Plinius aanmaant christenen niet speciaal uit te zoeken.

Daarnaast wilden heel wat gouverneurs gewoon niets weten van christenen. Tertullianus schrijft dat klachten dikwijls geseponeerd werden. In 185 stapte een opgezweepte massa christenen naar het verblijf van de gouverneur van Asia en eisten terechtgesteld te worden. De gouverneur antwoordde hen laconiek dat ze zich maar van een klif moesten werpen of zich verhangen. Tot 258 bestond er geen wetgeving speciaal gericht tegen christenen.

In 250 decreteerde de kersverse keizer Decius dat elke inwoner van het keizerrijk een offer moest schenken aan zijn "goddelijke geest" in tegenwoordigheid van een magistraat. Het decreet was echter niet tegen christenen gericht, en het was eenmalig. Decius was na een overwinning op de Gothen door zijn leger tot keizer uitgeroepen, maar er waren politieke kapers op de kust, en hij had niet veel vertrouwen in de loyauteit van de burgerbevolking. Dit decreet was bedoeld als een test van trouw, maar het was een test waardoor christenen gedwongen werden een duidelijke keuze te maken. Sommigen van hen brachten het offer, anderen vluchtten of kochten ambtenaren om, nog anderen slaagden erin zich gedeisd te houden. Een aantal weigerde resoluut en werd in de gevangenis geworpen of terechtgesteld. In Africa leidde deze verdeeldheid tot het schisma met de donatisten, die weinig ophadden met hooggeplaatste christenen die de dans ontsprongen waren. Maar het decreet was niet speciaal tegen christenen gericht, en er is geen enkel bewijs dat Decius een bijzondere mening had over de christenen.

Acht jaar later kondigde keizer Valerianius een edict uit dat alle bisschoppen, priesters en diakens onmiddellijk ter dood gebracht moesten worden. Christelijke notabelen en senatoren dienden onmiddellijk van hun plaats verwijderd en hun eigendommen in beslag genomen. Christelijke leden van de keizerlijke huishouding werden verbannen naar afgelegen keizerlijke bezittingen. Deze maatregel was niet gericht tegen de gewone christenen, en het doel was duidelijk niet het christendom uit te roeien, maar wel te verhinderen dat de oude waarden van de Romeinse samenleving het onderspit zouden delven - een beetje vergelijkbaar met talrijke Amerikaanse staten in de zg. "bible belt" waar het atheïsten verboden is deel te nemen aan het bestuur. Het is daarbij opmerkelijk dat reeds enkele jaren na Decius, en na meer dan twee eeuwen "vervolging", zoveel christenen een hoge positie bekleedden.

Uiteindelijk werd slechts een handvol christelijke hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de bisschop van Carthago, ter dood gebracht. Twee jaar na het edict werd Valerianus door de Perzen gevangen genomen, en voor de christenen begon een periode van 40 jaar voorspoed en vrede. Opnieuw beklommen ze sociale ladders, verzamelden welstand, bouwden kerken en hielden hun bijeenkomsten zichtbaar voor eenieder.

De toestand veranderde drastisch met het aantreden van Diocletanus, en onder deze keizer begon de eerste totale christenvervolging. Tussen 268 en 284, het jaar waarin Diocletanus de troon besteeg, waren niet minder dan acht keizers vermoord, meestal door hun eigen soldaten, en het rijk werd geplaagd door burgeroorlogen en invasies door Barbaren. Bovendien dreigde inflatie en een economische crisis. In deze omstandigheden werden eerst de manicheeërs, een religie uit het vijandige Perzië, en vanaf 303 de christenen aangepakt. Kerken en boeken werden vernietigd en bijeenkomsten werden verboden. Hooggeplaatste christenen verloren hun rang, en wie niet eerst geofferd had kreeg geen officiële plaats. Later werden christenen van alle rangen bijeengedreven en gevraagd te offeren. De uitvoering werd overgelaten aan de plaatselijke gouverneurs, en er waren grote verschillen. Heel wat christenen wisten te ontsnappen door anderen in hun plaats te laten optreden of door gewoon te offeren. Het is onbekend hoeveel van hen werkelijk ter dood gebracht zijn, maar de (christelijke) verslagen van die tijd hebben weinig historische waarde. Eusebius spreekt over 99 gevallen in Palestina, waar de vervolging heviger was dan elders, maar van deze 99 zijn er slechts 16 werkelijk vervolgd door de autoriteiten. De grote vervolging eindigde na twee jaar, maar werd terug kortstondig leven ingeblazen door Maximus Daia, in 311 en 312.

Het gevaar van een martelaarcomplex

De moderne media, schrijft Moss, staan vol van politieke voortrekkers en lobbyisten die beweren vervolgd te worden, en bewijzen dat de bruikbaarheid van het martelaarschap eeuwen overleeft. De Pro-Life beweging gebruikt aanhoudend een retoriek van vervolging. In Frankrijk wordt Jeanne D'Arc nog steeds opgevoerd door rechtse nationalisten tegen de islam en immigratie.

De neo-con radiopresentator Glenn Beck beweert gevaar te lopen een martelaarsdood te sterven, waardoor hij meer christian right aanhangers wint. Newt Gingrich verklaarde als presidentskandidaat dat "er een oorlog tegen religie aan de gang is, en vooral tegen het christendom". De schrijfster Ann Coulter verklaarde zonder verpinken: "er is geen groter bewijs voor de goddelijkheid van Christus dan dat hij na 2000 jaar nog steeds zozeer gehaat wordt".

Als christenen in een politiek veilige omgeving beweren vervolg te worden, polariseren ze de wereld waarin ze leven. Gevangen in een martelaarcomplex, wordt een redelijk gesprek niet enkel onmogelijk, maar ook ongewenst.




Bronnen:
The Myth of Persecution: how early christians invented a story of Martyrdom
Christendom lijdt aan martelaarscomplex
Right Wing Watch

Tags: actueel, bewustzijn, ethiek, evolutie, pacifisme, religie, samenleving, seculariteit, wetenschap

Zie ook het archief