hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Het recht van de staat

7 juli 2013


H

ebben we de morele plicht ons te onderwerpen aan het gezag van de staat, en de wetten van het land te gehoorzamen?

Plato beschouwde burgers als onwetende kinderen, kleine dieren die getemd moesten worden door een elite van gouden mensen, die door de lessen van filosofen een hoger inzicht hadden bereikt.

Oorlog werd dikwijls als een soort godsgericht begrepen, en men meende dan dat Gods genade rustte op de overwinnaar. Koningen hadden magische krachten: Karel II van Engeland behandelde tienduizenden gevallen van klierziekte met handoplegging. Augustinus, Mohammed, Luther en Calvijn verzekerden dat gelovigen zich aan hun soeverein dienden te onderwerpen. Dat die soeverein een rechtgeaarde gelovige moest zijn, sprak voor zich.

In een moderne wereld is het niet langer vanzelfsprekend dat wetten gehoorzaamd moeten worden alleen omdat ze nu eenmaal de wetten zijn, of omdat ze opgelegd zijn door een onontkoombare macht. Elk burger van een modern land vraagt zich argwanend af, of wetten op goede redenen steunen.

Oorsprong

Stateloos zijn is een soort banvloek, en "failed states" noemt men die jammerlijke plaatsen waar geen staat functioneert. Het leven in een staat en het hebben van een nationaliteit was echter niet altijd vanzelfsprekend.

De anatomisch moderne mens bestaat pakweg 40.000 jaar, terwijl de eerste staten minder dan 10.000 jaar geleden ontstonden. De mensheid leefde gedurende drie vierden van haar bestaat zonder staten, en toen er wél staten bestonden leefde het grootste deel van de wereldbevolking erbuiten. Tot voorbij het tweede millennium voj leefden de meeste mensen in kleine groepen van jagers, verzamelaars, herders of primitieve landbouwers, of in een mengvorm daarvan. Dikwijls waren hun leefgebieden te ver van administratieve centra om erdoor opgeslokt te worden. Staten en nomaden waren stof voor elkaars mythologieën, maar vormden geen ideologische eenheid.

Tot in de negentiende eeuw waren er gebieden in Europa waar mensen leefden volgens lokale tradities en met een ideeënwereld die vreemd was aan het "centrale gezag". Ze leefden van wat de natuur verstrekte en sliepen in eenvoudige hutten met een rookgat in het dak. In Franstalige gebieden werden ze masuirs genoemd, in Engeland hovellers, beide naar de oude benaming voor "hut"; in het Duits en het Nederlands sprak men van amborgers (vergelijk met Engels "hamlet".) De masuirs en hun naamgenoten verdwenen (of vervoegden het groeiende leger proletariërs) nadat in de negentiende eeuw van overheidswege beslist werd "nutteloze" gemene gronden om te zetten in akkers om de armoede te bestrijden. Hier heeft "gemeen" de betekenis "gemeenschappelijk". In België betoogden Luxemburgse volksvertegenwoordigers in 1948 tevergeefs dat deze maatregel de armoede zou vergroten, want net dank zij de overvloed aan bossen was er in hun provincie nauwelijks armoede.

Emanuel Lowitt merkte in zijn reisbrieven op dat de leefwijze van een Amerikaans indiaan weinig verschilde met die van een Engels hoveller, maar terwijl het beeld van de exotische wilde levend gehouden werd in ontelbare romantische boeken en filmen, werden hun Europese tegenhangers gewist uit ons culturele geheugen omdat ze niet pasten in de heersende rassentheorie. Die wilde dat "beschaving" een essentiële eigenschap was van het blanke ras, en "wilden" dus enkel op andere werelddelen voorkwamen.

Vandaag is er nog steeds wetenschappelijk debat over waarom kleine onafhankelijke groepen de stap gezet hebben naar een vroege staat. Bevloeiing van akkers kon een bredere samenwerking vereisen; voortdurende nood aan elkaars producten en ruilhandel kon een blijvend verband voortbrengen; oorlogen konden leiden tot coalities of tot onderwerping. Het gevolg was hoe dan ook de aanvaarding van centraal gezag met bijhorende religieuze ideologie, standen en gewijd koningschap.

De werkelijke triomf van de staat was het ontstaan van natiestaten in de negentiende eeuw. De natiestaat beantwoordde twee technologische mogelijkheden. De eerste was de opkomst van massamedia - aanvankelijk de drukpers en het alfabetisme, pamfletten en kranten. Deze media slaagden erin een "wij-gevoel" aan te kweken onder de bevolking van een gebied, hoe uiteenlopend welstand, vrijheid en klasse ook waren. Tot aan de opkomst van die massamedia was het standenverschil in de volksbeleving sacraal geweest: koningen en edelen waren essentieel anders dan hun horigen, ze waren uit dezelfde substantie gemaakt als adel uit andere landen en misschien als goden.

Daarnaast werd het ook technologisch mogelijk grenzen geografisch vast te leggen en hermetisch te sluiten, en zo een einde te stellen aan levensnoodzakelijke economische migraties, iets wat nooit gelukt was daarvoor. Het gevolg van deze technologische mogelijkheden was de natiestaat: iemands "identiteit" was voortaan gelegen in een "nationaliteit", door negentiende-eeuwse historici naarstig verweven met "ras", een mengsel dat later explosief zou blijken. Dit nationalisme was vooral exoterisch: academici en massamedia slaagden erin een ideaal van trouw aan volk, bloed en bodem op te hangen, terwijl de hogere stand haar taal, mode en vermaak buiten de grenzen van de natie bleef zoeken.

Ethisch recht

Als recht en wetten zich niet langer op een rechtvaardiging van bovenaf kunnen beroepen, rest er enkel de bevolking die een materiële basis deelt als maker van afspraken. Deze materiële basis is in de loop van de geschiedenis steeds groter geworden. Geloofden de oude Iraniërs nog dat hun vallei de wereld was, in de moderne tijd eten we dagelijks voedsel aangevoerd uit andere werelddelen, bespreken we onze beslommeringen met andere culturen, en beïnvloeden we het klimaat van de planeet voor een tijd die voorbij de levenden reikt. De opvatting dat de staat van godswege of van nature gerechtigd is wetten uit te vaardigen en desnoods met geweld te doen naleven, is gezien het verleden niet verrassend, maar niet meer verdedigbaar met een niet-theocratische - seculiere - overheid, die haar macht van mondige burgers krijgt. De staat is nog steeds de administratieve container die ze altijd geweest is, maar moderniteit verandert haar inhoud in een gemeenschap van mensen met de grootst mogelijke vrijheid. De enige reden van bestaan die een staat nog kan hebben, is dat ze de boekhouder van die vrijheid is - al zijn vandaag talrijke andere mogelijkheden denkbaar.

De vraag is dus wat de kenmerken zijn van wetten die door allen nagevolgd moeten worden. Aangezien deze regels en wetten in elk geval door mensen gemaakt worden, verschuift de vraag automatisch naar de eisen waaraan mensen moeten voldoen om wetten te maken en op te leggen. Ik ben hierover tot het volgende inzicht gekomen:

  • een regel die ik kan ondersteunen moet mijn vrijheid en welzijn verzekeren.
  • in een moderne maatschappij kunnen ik, mijn familie of vrienden vroeg of laat de plaats van elk ander individu innemen: rijk of arm, gezond of ziek, verdrukt of vrij enzoverder...
  • Uit deze twee vaststellingen volgt dat mijn vrijheid en welzijn slechts verzekerd zijn, als het welzijn van elk individu verzekerd is.
  • daarom moet voor mij het recht op vrijheid en welzijn van elk individu erkend worden door staat, wet, ideologie enzoverder...
  • de beste waarborg voor mijn vrijheid en welzijn is zoveel mogelijk individuen te overtuigen dat individuele rechten cruciaal zijn in elk rechtsstelsel.

Wanneer we geloven dat de dingen zijn zoals ze zijn en altijd zo zullen blijven, is het ieder voor zich: de macht van de sterkste geldt in een staat van oorlog zonder einde, of eindigt met één wanstaltig monster dat, na alles opgevreten te hebben, zelf crepeert van ontbering.

Wanneer we ons daarentegen bewust zijn van de culturele evolutie en emancipatie die elke dag plaatsvinden, moeten we ons ook afvragen wat de beste manier is om emancipatie te bevorderen. Dat is de weg die de wereldgemeenschap schuchter heeft gekozen. Het is niet genoeg en misschien te laat, maar we hebben geen keuze dan verder te werken aan het terugdringen van uitbuiting en oorlogen, die de voornaamste bron zijn van armoede en achterlijkheid.

Ongewapende ongehoorzaamheid.

Op het eerste zicht lijken de problemen onoverkomelijk. We kunnen maar moeilijk geloven dat mensen het goede zullen doen zonder een macht boven hen. Toch zijn er talrijke tekenen van hoop. In de twintigste eeuw hebben ongewapende burgeropstanden tegen het heersende gezag meer veranderd ten goede dan de haast onmeetbare verspilling van middelen en mensenlevens in oorlogen en bombardementen van gruwelijke omvang. Massale uitroeiing en vernietiging van complete levende steden wisten minder te bewerkstelligen dan burgers die eenvoudig opstonden uit hun "servitude volontaire" en alleen met hun vasthoudendheid grenzen en gezag neerhaalden. Verwezenlijkingen van geweldloos verzet zijn bijvoorbeeld:
1947: onafhankelijheid van Indië.
1963: begin van rassenemancipatie in de USA.
1979: val van de Sjah in Iran
1982: einde van de militaire dictatuur in Bolivië
1984: einde van de militaire dictatuur in Urugay
1986: democratisering van de USSR.
1986: val van dictator Marcos in de Filipijnen.
1989: val van de communistische partij in Polen.
1989: val van de Berlijnse muur.
1989: Letland onafhankelijk van de USSR.
1990: einde van de Marxistisch-Leninistische dictatuur in Benin
1991: onafhankelijkheid van Oekraïne.
1994: einde van de apartheid in Zuid-Afrika.

De lijst groeit nog aan in deze eeuw: het Tienanmen plein in Peking, de Indignados in de Westerse wereld, burgerverzet in Kyrgyzstan en Georgië en in verschillende Afrikaanse en Arabische landen, zijn nog onbeslist. En tenslotte waarborgt niets succes voor altijd.

Het belangrijkste is te beseffen, dat we ons lot zelf in handen hebben. Als we het niet zelf doen, is er niets.




Bronnen:
Paul ERRERA, Les Masuirs (1801)
De gemeentegronden in Noord-Brabant en Limburg en hunne ontginning (1937)
Emanuel Howitt, Selections from Letters Written During a Tour Through the United States, in the Summer and Autumn of 1819
Philosophy of Law

Tags: actueel, ethiek, pacifisme, samenleving, seculariteit

Zie ook het archief