hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Kosmologie

6 augustus 2013


I

k ben er lang van overtuigd geweest dat uitspraken over de kosmos geen betekenis hebben in de discussies over ethiek die ik voer. Helaas blijkt er een nieuwe vorm van sciëntisme te zijn ontstaan, die het menselijk doen en laten met middeleeuwse ijver in de schaduw stelt van het oneindig grote (of moet dat terug met hoofdletters?)

§

De redenering komt hier op neer: het universum ligt vast, van het grootste tot het kleinste, wij mensen inbegrepen. Je hebt niets in de melk te brokkelen: de hoogste beslissing die je misschien kan nemen is in de wachtkamer van een neuroloog te gaan zitten wachten tot die je wat voorschrijft om je rustiger of opgewekter te maken, om je te versnellen of te vertragen. Maar ook dat je in die wachtkamer zit lag volgens deze redenering al vast sinds de Big Bang. Het lijkt alsof je anders had kunnen doen, maar dat is een illusie. Je had ook atoom voor atoom de persoon in de stoel naast je kunnen zijn, en de persoon daarnaast had evengoed de neuroloog kunnen zijn.

De hierboven gebruikte uitdrukking "van het grootste tot het kleinste" is voor sommigen van hen (ik denk bijvoorbeeld aan Trenton Merricks) slechts een wijze van spreken, want grootteverschillen vinden zij een illusie: wat echt bestaat is allemaal even subatomair groot (waardoor van het woord "subatomair" zelf problematisch is, iets waarvan ze zich misschien nog niet bewust zijn. Maar daar kunnen zij niets aan doen, want dat ligt vast.)

Een zinniger kosmologie.

Wat weten we van het werkelijke universum? In afgeronde cijfers: niets. Zoveel als een mier weet van alles wat er op onze planeet is: voldoende om verder te leven in haar wereldje van enkele vierkante meters, maar niets vergeleken met de tientallen miljoenen vierkante meters biosfeer van de aarde. Als er iets is wat de moderne biologie ons geleerd zou moeten hebben, is dat mensen gemaakt zijn voor het hier en nu. Natuurlijk is dat veel, vanuit ons standpunt bekeken. Zoals de biotoop van een mier alles is, voor de mier.

De kosmologie spreekt over universums in twee betekenissen: "het hele universum" (the entire universe of kortweg "het universum") enerzijds, waarmee men de totaliteit bedoelt van alles wat er bestaat (zonder dat men hoeft te weten wat dat is) en anderzijds het "observeerbare universum" (observable universe). Het eerste is onderwerp van talrijke speculaties en wiskundige oefeningen waarover de oude thomisten in de wolken zouden zijn geweest (bestaat er een oneindig aantal universums, of zijn er slechts 1 of 400? Bestaan ze naast elkaar of achter elkaar?) Het tweede is het kleine deeltje van het "universum" dat kenbaar is voor ons. De diameter ervan zou 8,8 x 10^23 km bedragen. Groot voor ons, mensen, maar slechts een schijntje vergeleken met het hele universum.

In het observeerbare universum zoekt de wetenschap naar wetmatigheden, en wanneer ze er vindt, beschrijft ze die in natuurwetten. Deze natuurwetten zijn dus geen opgelegde wetten, maar beschrijvingen van wetmatigheden gevonden in een miniem deeltje van het werkelijke universum. Zulke wetmatigheden vormen geen garantie voor wat er elders, lang geleden of in de verre toekomst gebeurt. Daarover mag iedereen fantaseren en extrapoleren naar believen. Nog minder mogen we met stelligheid beweren dat het observeerbare universum - laat staan het hele universum - kan beschreven worden in natuurwetten. Dat geloven is ongegrond sciëntisme, en de overeenkomst met het monotheïsme zal niemand ontgaan: universeel determinisme is anoniem monotheïsme.

Meer nog, we begrijpen de natuurwetten die we ontdekt hebben niet werkelijk. We zijn al blij als we ze hebben kunnen afleiden uit wat zich voordoet en dat ze voorspellingen toelaten, maar waarom iets zich voordoet kunnen we niet weten. Newton heeft ontdekt dat lichamen tot elkaar aangetrokken worden: hoe dichter en hoe groter, hoe sterker de "zwaartekracht". Maar waarom ze elkaar aantrekken en niet afstoten, weten we niet. We hebben alleen empirisch vastgesteld dat Newton bijna altijd gelijk heeft in de observeerbare wereld.

De vorm waarin natuurwetten worden genoteerd, is die van oorzaak en gevolg. Een doordeweekse natuurwet zegt dat als A gebeurt, B zal volgen. Maar David Hume (de Engelse filosoof uit de achttiende eeuw) heeft ons erop gewezen dat we niet weten hoe A oorzaak is van B. We zijn er aan gewend dat, bijvoorbeeld, vuur samen komt met hitte en gewicht met vastheid. Onze rede, zegt Hume, is ongeschikt om causale verbanden te kennen: "alle gevolgtrekkingen uit ervaring zijn daarom het gevolg van gewoonte, niet van redeneren". Breidt deze "gewoonte" uit tot de resultaten van natuurlijke selectie en culturele inbedding en ik ben het volledig met hem eens. We kunnen - naarmate we over verfijnder meetinstrumenten beschikken - oorzaken en gevolgen opdelen in een som van kleinere oorzaken en gevolgen, maar er is geen bodem, geen ultiem "waarom" in zicht. Ook als we zullen weten hoe alle fundamentele deeltjes te werk gaan, zullen we feitelijk niet weten waarom dat zo is. En uit wetenschappelijk oogpunt is dat niet erg. Wel erg is het dat medemensen menen universele wetten te kennen waar u en ik zich aan dienen te houden.




Bronnen:
Size of the universe
Kant and Hume on causality (Stanford)
David Hume, Enquiries Concerning the Human Understanding and Concerning the Principles of Morals
Trenton Merricks: Précis of objects and persons



Tags: actueel, ethiek, samenleving, wetenschap

Zie ook het archief