hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

De demon in ons DNA

30 augustus 2013


I

k moet een schilderij ophangen, maar ik zit met een ernstig probleem. Heb ik er wel de gepaste genen voor?

Men zegt immers dat we genen hebben "voor" iets. Maar hoe kon de natuur die ons allen heeft voortgebracht weten dat ik later ooit een schilderij zou moeten ophangen? En heb ik wel genen voor tv-kijken of autorijden?

Ik heb alle genen die de wetenschap volgens de dagelijkse pers reeds ontdekt heeft doorlopen. Er zijn godgenen, agressiegenen, grootmoedergenen, intelligentiegenen, jennifer-anistongenen, sexuele geaardheidgenen enzovoort, maar voor al die huishoudelijke dingen waar ik dringend aan moet beginnen sta ik met lege... genen.

§

Tot zover de kolder. Immers, genen zijn in werkelijkheid nergens "voor". Ook niet voor oorlog of vrede. Ze bevatten chemische informatie die kan gebruikt worden door de cel tijdens haar ontwikkeling vanaf de baarmoeder. Dat is alles. Natuurlijk zijn genen onmisbaar voor onze ontwikkeling, maar dat geldt ook voor de hele inhoud van de eicel, voor de temperatuur, de chemie en de voeding uit de omgeving, de cultuur, de economie enzovoort.

Een van de bestsellers over genen voor oorlog of vrede waarvan de auteur daarna in een eindeloze reeks interviews moest gaan uitleggen dat hij het zo niet bedoeld had, was "The Demonic Males: Apes and the Origins of Human Violence" van Richard Wrangham en Dale Peterson.

Ook deze titel is vermoedelijk door de uitgever bedacht, en sterkt mijn vermoeden dat bestsellers eerder te danken zijn aan foute vooroordelen die bevestiging zoeken, dan aan een verlangen naar kennis.

De demon in ons DNA is gewoon dat: een verzinsel.

Geweld is nooit, in geen enkele gemeenschap van welke primaat ooit, mensen inbegrepen, het dwangmatig hoofdbestanddeel geweest van gedrag. Het zou evolutionair zelfs onbegrijpelijk zijn, dat zo'n gemeenschap niet binnen de kortste keren uitstierf.

Onze genen laten geweld toe, maar ook pacifisme, en bovendien allerlei huishoudelijk gedrag. Ten bewijze enkele gegevens uit het veld.

Dieren in het algemeen.

Voor mijn keukenraam is een plank van zo'n halve vierkante meter groot met wat takken er rond. Op die takken zitten meesjes en allerhande hun beurt af te wachten om een duik te wagen naar het bakje zonnebloemzaad. Het hele jaar door verloopt alles ordelijk, snel en efficiënt, tot de nieuwe nestvlieders aankomen. Ze wieken achter hun ouder aan en vinden zo de voederplank, maar blijven ook op de plank instinctief bedelen, tot ze weggejaagd of straal genegeerd worden. Na enkele dagen hebben ze ontdekt dat ze de zaadjes ook zelf kunnen oppikken, en volgt een periode van overbezetting. Dan kan het gebeuren dat er door irritatie een heuse vechtpartij ontstaat. Twee vechtende pimpelmeesjes staan dan tegenover elkaar als briesende ganzen: vleugels gespreid en, net als het hoofdje, laag gehouden, tot een van beide met een snelle uithaal achterovergeworpen wordt en de ander zich er bovenop werpt, enkele rake pikken uitdeelt en verdwijnt.

De laatste tien jaar zijn ongeveer 5 miljoen zaadjes gepikt op deze voederplank. Ik heb hoogstens bij 5 daarvan iets gezien wat je een vechtpartij kan noemen. Bij twee daarvan werd de onderspitdelver echt omgegooid en besprongen. 1 op 1 miljoen, of stel dat ik niet alles zie, 1 op duizend, dat betekent dat pimpelmeesjes best zonder geweld kunnen (99,99% de hele tijd, en de rest 99,999999% van de tijd) en die redenering heb ik uitgebreid tot mensen.

Uiteraard leven we in een tijd waarin we alles direct aan genen wijten, maar over nieuwe denkbeelden daarover zie De Uitgebreide Synthesis. Gelijk gedrag wijst niet noodzakelijk op gelijke genen. Het is verrassend dat de wijze van vechten van meesjes dezelfde is als die van ganzen en zwanen (en waarschijnlijk andere vogels) maar bij nader inzien kan dit ook een kwestie zijn van "geërfde" omgevingsfactoren. Wie de methode van een zakkenroller in Sidney vergelijkt met die van een zakkenroller in Chicago zal misschien ook verrast zijn door de overeenkomst, maar per direct naar genetisch determinisme wijzen is ook daar niet productief: de methode van zakkenrollen is misschien de enige beschikbare. Zo zou men al te snel kunnen besluiten dat alle vogels afstammen van een voorouder die meer nakomelingen had omdat zijn genen zo gemuteerd waren dat hij andere vogels hinderde in hun voortplanting door ze om te werpen.

Het lijkt me toe dat ook meesjes geen dwingende agressiegenen hebben.

Niet-menselijke primaten

Jane Goodall heeft niet enkel ontdekt dat chimpansees in het Gombé natuurreservaat gereedschap maken, maar ook dat ze soms oorlog voeren, terwijl Christophe Boesch, een professor in evolutionaire antropologie aan het Max-Planck-Institut in Leipzig jarenlang chimpansees bestudeerde aan de Ivoorkust, en nooit een chimpansee een andere chimpansee heeft zien doden. Dus het kan zo of zo. En van Bonobo's, onze andere neefjes, wordt gezegd dat ze hun problemen niet met geweld oplossen, maar met seks. Het zou me niet verbazen als vroeg of laat een nativist met eindeloos geduld vechtende bonobo's ontdekt en daar de voorpagina's mee haalt. Wij mensen zullen daar naargelang onze predispositie om treuren of om juichen, maar geen bonobo die er de seks voor zal laten.

Primaten kunnen net als pimpelmeesjes zonder agressie, maar net als bij pimpelmeesjes wordt het hen soms te veel.

Mensen

We zijn mede door onze genen ontwikkeld tot volwassen dieren die agressief kunnen zijn, maar we hebben geen agressiegenen die maken dat we agressief moeten zijn. Of we agressief zijn hangt af van materiële omgeving en hoe onze cultuur die verwerkt. Verarming, gebrek aan privacy of rust, maar misschien ook loodvergiftiging enzovoort kunnen leiden tot agressie. Met inachtneming van elementaire hygiëne kunnen we dus in vrede leven, zonder dat we daar een psychose door moeten krijgen.

Gedragsonderzoeker aan de Universiteit Groningen Dr. Johan M.G. van der Dennen (die niet noodzakelijk mijn mening deelt!) heeft een lijst samengesteld van menselijke "primitieve" culturen die, volgens historische getuigen of veldonderzoekers zeer waarschijnlijk geen oorlog kennen. Hier een snelle opsomming, voor de wetenschappelijke bronnen verwijs ik naar de eigen website van Dr. Van der Dennen , waar je ook een lange lijst kan vinden van groepen die weinig of enkel rituele oorlog kennen. Die groepen zijn niet inbegrepen in de lijst hieronder.

"Primitieve volkeren die zeer waarschijnlijk geen oorlog voeren."

Afrika: Bagielli-Pygmies, Bahima, Bakoba, Bakonjo, Bambuti, Banyoro, Bari, Bayeiye, Benecki, Boma, Boran, Doko, Dorobo, Edo, Fipa/Wafipa, Guanche, Hadza, Ishogo, Karamojo, Makalaka, Manansa, Manganja, Nago, Ndjavi, Nubians, Okiek (Dorobo), Quarré, Quissama/Kisama, Tonga, Wabuma, Wafiumi, Wakhutu, Wambuti/Wambutti, Wawira.

Indonesië: Bisaya (of Borneo), Mentawei Isl., Minangkabau, Punan, Semendo, Tenggerese, Timorlaut, Tjumba, Toala, Wana.

Eurazië: Ainu, Allar, Andamanese, Aradhya, Badaga, Badeshi, Baiga, Batek, Bodo, Bonthuks, Chauci, Cherusci, Chewong, Chuvash/Chuwash, Dhimal, Fenni, Galong, Garo, Ghiliaks/Gilyak, Irula, Kadar, Karakalpak, Ladakhi/Ladaki, Lapps, Lepcha, Lhota/Lhota Naga, Malabarese, Malapantaram, Mandai/Mandaeans, Mikir/Mikir Naga, Mishmi, Naikens, Ryukyu Archipelago, Semang, Tenae, Tharu, Toda, Tofalar/Tofa, Vedda/Veddah, Yanadi.

Noord-America: Akasguy, Algonquin, Ammassalik, Anasazi(Early), Attikamek, Beothuc/Beothuk, Chaouanons, Coast Salish, Dabop, Dené Tha, Dosewallips, Duckabush, Duhlelap, Hare, Hopi, Inuit, Kawaiisu, Molala, Oowekeeno, Papago, Pima, Pueblos, Sanpoil, Saulteaux, Similkameen, Slave/Slavey, Tagish, Tatu, Zuñi.

Nieuw Guinea: Arafuras, Fore, Goliath, Hagahai, Manam Islanders, Pesechem/Pesegem, Sio, Tapiro, Timorini, Wape.

Australië: Aboriginals, Mardu/Mardujarra.

Zuid-Amerika: Achagua, Aguitequedichaga, Alon, Amahuaca, Amasifuin, Amuesha/Amueixa, Apinayé, Arawak, Arhuaco, Arupai, Auca/Auka, Auétí, Aurohuacos, Bara, Cahuapana, Canamari, Candoshi, Catauxi, Cayapa, Cayua, Cayuvava, Chané, Chayawita, Chébero, Chedua, Chichas Orejones, Chichimec, Chuncho, Chunipi, Cipo, Curetu/Cureto, Desana, Fuegians, Goaynazes, Guaja, Guana, Guato, Guayaki, Imono, Jibito, Kashihá, Kogi/Kogui, Machicui/Machicuy, Machiguenga, Macu/Maku, Masco, Mosetene, Moxo, Napo, Ona, Otomac, Pacaa Nova, Panare/Panaré, Passes/Passé, Pasto, Paumari/Paumary, Pemon, Piro/Pirro, Poturero, Puinave, Puri, Saliva, Setebo, Siriono, Tacunyapé, Tapirapé, Tapuya, Tarahumara, Timote, Trique, Tucano, Tukano, Waorani, Warrau/Warao, Xinguanos/Xingu, Yagua, Yahgan, Zapotec.

Oceanië: Aru Islanders, Bunlap Islanders, Ifaluk, Manihikians, Moriori, Nukuoro, Tikana, Tikopia. Tikopia.

Filippijnen: Bajau/Bajau Laut, Batak (of Palawan), Negritos, Sulod/Sulod Ilongot, Bajau/Bajau Laut, Batak (of Palawan), Negritos, Sulod/Sulod Ilongo.

Bedenking achteraf

Misschien zijn planten wel agressiever dan dieren.

Klimop bijvoorbeeld strijdt elk ogenblik van de dag om zonlicht met soortgenoten zowel als met andere planten en uiteindelijk met alles wat op haar weg komt. Een dier kan zich verplaatsen, en hoeft daarom de meeste tijd geen energie te verliezen aan het bestrijden van soortgenoten, verwanten of zichzelf. Integendeel, de meeste diersoorten leven samen, en halen net door hun vrijheid verrassend dikwijls voordeel uit samenwerking.




Tags: ethiek, evolutie, pacifisme, samenleving, wetenschap

Zie ook het archief