hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

De spiltijd

5 november 2013


V

reemd hoeveel mensen geloven dat de wereld veranderde 2000 jaar geleden. En ook weer niet vreemd, want de meeste culturen hebben wel een mythologisch begin. De wereld ouder dan 2000 jaar is dan iets zoals de droomtijd van de Australische Aboriginals. Toen gebeurden de gekste dingen, maar het hoefde niet te kloppen, het was "gewijde geschiedenis".

Hegel schreef: "alle geschiedenis gaat naar Christus en komt van Hem vandaan. De verschijning van de Godszoon is de spil der geschiedenis."

§

Karl Jaspers was het daar niet mee eens:

Een spil van de wereldgeschiedenis, als deze bestaat, ware alleen te vinden voor de profane geschiedenis en wel als een feit, dat als zodanig voor alle mensen, ook voor de christenen geldigheid bezit. Het zou voor het Westen en voor Azië en alle mensen zonder de maatstaf van een bepaalde geloofsovertuiging van kracht moeten zijn. Voor alle volken zou een gemeenschappelijk kader van historische vanzelfsprekendheid ontstaan.

Deze spil van de wereldgeschiedenis schijnt nu te liggen in het tussen 800 en 200 voor Christus zich afspelend geestelijk proces. De mens ontstond, waarmee wij tot nu toe leven. Deze tijd noemen wij kortheidshalve de "spiltijd".

In deze tijd vinden buitengewone gebeurtenissen gelijktijdig plaats. In China leefden Confucius en Lao-tse [Laoze], ontstonden alle richtingen van de Chinese filosofie, dachten Mo-ti [Mozi], Tschuang-tse [Zhuangzi], Liaedsi [Lie Yukou] en talloze anderen; in Indië ontstonden de upanishaden, leefde Boeddha, werden alle filosofische mogelijkheden tot aan de scepsis en het materialisme tot de sofistiek, en het nihilisme, als in China, ontwikkeld; in Perzië onderwees Zarathustra het ethische wereldbeeld van de strijd tussen goed en kwaad; in Palestina traden de profeten op van Elia via Jesaja en Jeremia tot Deutero-jesaja; Griekenland zag Homerus, de filosofen Parmenides, Heraclitus, Plato, de tragici, Thucydides en Archimedes. Alles wat met deze namen slechts is aangeduid ontstond in deze paar eeuwen ongeveer gelijktijdig In China, Indië en het Westen zonder dat zij van elkaar afwisten.

Jaspers vermeldt niet wat naar zijn mening deze veranderingen veroorzaakte. Misschien geloofde hij in een vanzelfsprekende (hegeliaanse) zedelijke vooruitgang, een niet ongewone opvatting in de naoorlogse jaren. We kunnen ook een aanleiding zoeken in de wereldgeschiedenis - in wat zich afspeelde in de eeuwen voor de spiltijd.

De Brandcatastrofe

Tot het jaar duizend voor onze jaartelling (dus 3000 jaar geleden) had de subtropische gordel van het noordelijke halfrond de opvallende bloei en verval van talrijke koninkrijken gezien. Zoals alle latere rijken kenden ook deze een organische cyclus van verovering, verrijking en verval, een cyclus die gemiddeld vier eeuwen in beslag nam. Gedurende duizenden jaren waren er steeds weer nieuwe rijken ontstaan, maar het jaar 1000 werd een jaar zonder bloeiende rijken. Een unicum in de geschiedenis, veroorzaakt door Noordelijke invallen, die bekend staan als de "brandcatastrofe":

  • De Myceense beschaving, die gevolgd was op de Krentenzische, werd vernietigd door Dorische en Ionische stammen.
  • Assyrië en het Hettietische rijk werden (te beginnen met Troje) vernietigd door Frygiërs.
  • Het zogenaamde Egyptische "Nieuwe Rijk" van Thebe werd vernield door de "zeevolken", die vermoedelijk zelf verdreven waren door de Noordelijke invallen.
  • De Chinese Chang beschaving van An-Yang ging rond dezelfde tijd ten onder, maar de oorzaken daarvoor zijn nog onvoldoende onderzocht.

Historici uit de negentiende eeuw hebben getracht deze invasies als een Europese beschavingsmissie van de indogermaanse volkeren te interpreteren. Vandaag spreekt men nog wel van indogermaanse talen, maar dat een volk - een superras - met die omschrijving ooit bestaan zou hebben is niet langer houdbaar. Het zou onredelijk zijn in ongeletterde en vernielzuchtige stammen, die nauwelijks bouwwerken hadden in hun landen van oorsprong, brengers van beschaving te zien. Daarmee vervalt ook de klassieke theorie over de oorsprong van de filosofie. John Burnet bijvoorbeeld vond het niet belangrijk dat de Griekse filosofie begon in Azië. De taalbarrière, meende hij, zorgde ervoor dat er geen invloed uit het Oosten was. Het "Griekse genie" ontstond op de kusten van de Egeïsche zee omdat daar de oudste, minst verbasterde indogermaanse stam van de Ioniërs leefde.

Een tijd van ruïnes.

Karl Jaspers heeft deze Eurocentrische geschiedschrijving weerlegd door erop te wijzen dat een geestelijke vernieuwing zichtbaar was van China tot Italië. De grondoorzaak van deze vernieuwing lag, meen ik, in de ondergang van de oude tempeleconomieën.

Deze ondergang is zichtbaar in de getuigenis van Zarathustra, Boeddha en Jeremiah, die de traditionele bloedige tempeloffers, die de bevolking tot dan gevoed en verbonden hadden, te verwerpen. Het zedelijke conflict werd zo verlegd van tempel, koninkrijk, stad of huis, naar het individu alleen.

Boeddha predikte "zuiver je hart en stop met doden; dat is de ware religie. Rituelen dienen nergens voor, gebeden zijn nutteloze herhalingen, en bezweringen hebben geen kracht. Geef hebzucht en lusten op, om vrij te worden van het kwade en passies, dat is het juiste offer en de ware eredienst"

Zarathustra predikte dat Ahura Mazda verboden had nog langer runderen te slachten. Het vuur zelf werd het offer.

Jeremiah (die volgens bepaalde overleveringen Zarathustra gekend heeft) waarschuwde aan de tempelpoorten de bloedoffers te vervangen door "elkaar rechtvaardig behandelen; vreemdelingen, wezen en weduwen niet te onderdrukken; en geen onschuldig bloed te vergieten."

De goden straften voortaan niet langer hele koninkrijken, steden of huizen, maar op zichzelf aangewezen individuen.

Charlatans en zieners.

De Brandcatastrofe veroorzaakte de ondergang van eeuwig gewaande paleizen en tempels, en daarmee het einde van het primaat van de mythologische denkwereld. Priesters die tot dan hadden geleefd in de schaduw van goden, koningen en voorraadschuren, moesten nu in de straten en op marktpleinen hun gehoor en een inkomen vinden. De oude mythen die voordien hun waardigheid hadden bepaald waren niet langer dienstig, en voor het eerst moest de geletterde kaste zelfstandig verhalen bedenken en aan de man brengen.

Empedocles wekte doden terug tot leven had gewekt en genas zieken met muziek. Hij beweerde goddelijk te zijn:

In alle steden waar ik kom met mijn gevolg van mannen en vrouwen word ik vereerd en achtervolgd met vragen om rijkdom, orakels of genezing.

Pythagoras werd vereerd als Apollo Hyperboreus met shamanistische trekjes. Heraclitus noemde hem een charlatan die zich ten onrechte beriep op bijzondere kennis.

Heraclitus had trouwens ook weinig op met de alomtegenwoordige "nachtbrakers, tovenaars, bacchuspriesters, orphisten en pythagoreeërs...". Daarin wordt hij gevolgd door Plato, die nochtans zelf meer dan geïnteresseerd was in het orphisme. In de Republiek schrijft hij:

Bedelende profeten gaan van deur tot deur bij welgestelden, en beweren dat ze de kracht gekregen hebben van de goden om hun zonden en die van hun voorouders uit te wissen met offers, toverspreuken, gebeden en rites. En ze beloven vijanden te schaden met bezweringen tegen een kleine vergoeding....

De Khandogya Upanishad (1.12.4-5) noemt deze zwervende priesters
...honden die samenklitten door elkaars staart te bijten, en roepen: Om, geef ons te eten! Om, geef ons te drinken! Om, moge de goddelijke Varuna, Pragapati, Savitri ons te eten geven! Heer van het voedsel, breng ons te eten, breng het, Om!

Ook de bijbel (Psalm 59:7-9) beeldt afvalligen af als zwerfhonden:

Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? Maar Gij, Heer! zult met hen lachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

Er bevonden zich ook ernstige denkers tussen dit zootje, maar de meesten zullen een tussenpositie ingenomen hebben: niet altijd bedriegend, maar soms met wat magie om een punt te maken. Niet altijd brabbelend, maar soms woorden sprekend als iemand die verbluffende nieuwe dingen zag. Uit deze wanorde ontstonden uiteindelijk nieuwe verbeeldingen, die niet geschapen konden worden door een heilige of door een oplichter alleen. In sommige ongewone crises is er een gek nodig om een uitweg te vinden, en de blinde kan door geluk een doorgang ontdekken waar niemand durfde te kijken.

De weg naar de spiltijd was bezaaid met ruïnes en kermisklanten.




Bronnen:
Inleiding tot de Philosofie, Karl Jaspers 1951.



Tags: bewustzijn, ethiek, religie, samenleving, wetenschap

Zie ook het archief