hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Een gedicht vol gevaar (Lucretius)

6 april 2014


The Swerve - How the Renaissance began

D

e Rerum Natura (Over de natuur der dingen) is een filosofisch dichtwerk van de epicurist Lucretius. Het wil de angst voor goden, duisternis en het lot van de ziel waar mensen onder lijden, verdrijven met inzicht in de natuur. Dit inzicht steunt op het atomisme: alles wat bestaat is een spel van vrij bewegende atomen. In "The Swerve: How the Renaissance Began" (in de VS, waar men zich zou kunnen afvragen wat de Renaissance alweer was, luidt de titel "The Swerve: How the World Became Modern") vertelt Stephen Greenblatt het verhaal van de herontdekking van dit gedicht door de humanist Poggio Bracciolini aan het begin van de Renaissance, nadat het gedurende twaalf eeuwen door de kerk bestreden, verzwegen en vergeten was. Ook de kopie die door Poggio in een Duits klooster ontdekt werd is sindsdien verloren gegaan. Enkel de kopieën van de kopie die ter plaatse gemaakt werd in opdracht van Poggio, hebben onze tijd gehaald. Het is niet overdreven te stellen dat het dichtwerk het moderne denken weer op de sporen heeft gezet, van Galileo, Bruno en Montaigne tot Einstein.

§

De wereld van Poggio Bracciolini

De jacht op oude boeken was al ingezet door Petrarca in de veertiende eeuw. Talrijke Romeinse teksten waren sindsdien ontdekt, maar telkens bleek uit verwijzingen en citaten dat er nog meer te vinden moest zijn. Over het algemeen werden oude manuscripten in de vijftiende eeuw lager geschat dan met goud en edelstenen ingelegde missalen, die meer indruk maakten op ongeletterden. Maar zelfs onleesbare en onversierde boeken hadden nog een soort restwaarde: het perkament kon afgeschraapt worden en ingewreven met talkpoeder, en vervolgens hergebruikt voor vromer doeleinden. Daarbij was het van ondergeschikt belang of de kopiist begreep waar de tekst over ging. Zo werd Cicero's De Staat teruggevonden onder een zevende-eeuwse kopie van de driehonderd jaar eerder geschreven Uitweidingen over de Psalmen van kerkvader Augustinus, en de enige overlevende kopie van een verhandeling van Seneca over vriendschap werd teruggevonden onder een kopie van het Oude Testament. De monniken hadden niet te kiezen welke boeken ze kopieerden. Kopiëren was een werk van nederigheid, en nieuwsgierigheid was een doodzonde. Maar net dit gebrek aan interesse zorgde ervoor dat de tekst zelden werd aangepast aan de smaak van de kopiisten.

Poggio was secretaris (letterlijk: geheimhouder) geweest van paus Johannes XXIII, die was afgezet en opgesloten voor corruptie en ontucht. Als secretaris had hij geen vaste bezoldiging gehad, maar ontving verloningen voor het opstellen van documenten, voorrechten, toezeggingen die door de paus mondeling gemaakt waren. Zonder inkomen gevallen wierp Poggio zich op de jacht op nog onbekende oude geschriften. Zo begaf hij zich in de winter van 1470 naar een afgelegen klooster in het zuiden van Duitsland.

Poggio, schrijft Greenblatt, hield niet van monniken. De meesten vond hij bijgelovig, dom en verschrikkelijk lui. Hij beschouwde kloosters als verzamelplaatsen voor wie niet geschikt was voor de wereld. Edelen dumpten er zwakke en ongeschikte nakomelingen, onaangepasten en nietsnutten; kooplui zonden hun achterlijke of misvormde kinderen; boeren zonden er de monden heen die ze niet konden voeden. Sommigen maakten zich nog nuttig op de velden van de kloosters zoals in soberder tijden, maar de meerderheid waren leeglopers, vond Poggio. Achter de dikke muren mompelden ze hun gebeden en leefden op de kap van hen die op de uitgestrekte landerijen van de kloosters werkten. De kerk was een rijker landeigenaar dan de hoogste adel, en kloosters schatten hun wapenzaal doorgaans hoger dan hun bibliotheek. "Ik kan alleen maar zeggen dat ze zingen als sprinkhanen", schreef Poggio aan een vriend, "en ik kan het niet helpen te denken dat ze overmatig betaald worden enkel om hun longen te oefenen."

En verder:

Ze bluffen erover dat ze 's nachts opstaan om God te loven, alsof het een herculeswerk is. Het is zonder twijfel een uitzonderlijke verdienste om 's nachts psalmen te gaan zingen, maar wat zouden ze zeggen als ze in het midden van de nacht moesten opstaan om de hand aan de ploeg te slaan zoals boeren, onbeschermd tegen wind en regen, blootsvoets en dun gekleed?

De wereld van Titus Lucretius Carus

De Romeinen, die als barbaren werden beschouwd door de Grieken, wisten de Griekse bibliotheken evenwel naar waarde te schatten als oorlogsbuit.

Toen de Romeinse generaal Aemilius Paulus het Macedonische rijk van Perseus vernietigde, zond hij Perseus samen met zijn drie zonen en de oorlogsbuit door de straten van Rome, maar de koninklijke bibliotheek hield hij voor zichzelf. Van dan af werden bibliotheken steeds populairder in Rome. Ze werden ontworpen om de papyrusrollen droog te houden, met een leeszaal die maximaal van het daglicht profiteerde, en een tuin waar gesprekken konden plaatsvinden.

Boeken werden naarstig gekopieerd en de handel in boeken bloeide. De vraag steeg met het aantal bibliotheken, maar werd ook veroorzaakt door de kwetsbaarheid van papyrus: het kopiëren was eveneens een strijd tegen de tijd, en tegen het opdringend vocht en het knagen van boekwormen.

Er is een groot verschil tussen hoe wij intellectuele arbeid zien, en hoe het er in de oudheid aan toe ging. Het eenzame genie, jarenlang begraven tussen stapels boeken, was onbekend. Niet één individu, maar dialogen onder vrienden brachten kennis tot stand. De dialogen van Seneca en Cicero verdedigen weinig, maar overwegen veel, en de overal opdoemende bibliotheken leverden de stof en ruimte voor zulke dialogen.

Deze cultuur kwam abrupt tot een einde. Boeken rotten op hun planken, papyrusrollen ging op in vlammen of werden bedolven onder gruis en as. Om te illustreren wat er plaatsgevonden had, brengt Greenblatt ons naar de bibliotheek van Alexandrië, wellicht de grootste uit de hele oudheid, waar de intellectuele erfenis van Grieken, Romeinen, Babyloniërs, Egyptenaren, Joden en van het hele Middellandse Zeegebied bijeengebracht was. Bovendien kregen geleerden, dichters en wetenschappers uit de hele bekende wereld levenslange betrekkingen aangeboden, met onbeperkte toegang tot het archief van een half miljoen papyrusrollen. Dit bolwerk van menselijke kennis lag aan de basis van werken van Euclides, Galenus, Archimedes, Erathostenes en talrijke anderen. Het einde van deze kosmopolitische en pluralistische triomf - en van alle, per se eclectische, bibliotheken, kwam toen het christendom werd uitgeroepen tot enige ware religie en de enige waarheid over alles, en christelijke knokploegen brandstichtend en moordend rondtrokken, ook in Alexandrië. Het verhaal van de mooie wiskundige Hypathia, die door een bende monniken doodgemarteld werd en (hoe symbolisch) op een vuilhoop geworpen werd omdat ze protesteerde tegen de verdrijving van alle joden uit Alexandrië, is bekend (of zie wiki). De aanstoker, de patriarch Cyrillus, wordt vandaag nog steeds als heilige vereerd in de katholieke en in de orthodoxe kerk. De woede van de christenen richtte zich in het bijzonder tot de epicuristen, die geen nut zagen in wraakzuchtige goden. Ongeveer alles wat Epicurus en zijn volgelingen schreven werd vernietigd, en het is puur geluk dat van De Rerum Natura een kopie, vervaardigd in de negende eeuw, werd teruggevonden door Poggio Bracciolini.

Over de natuur der dingen

De ideeën die Lucretius neerschreef waren gegroeid in de loop van talrijke eeuwen. Eenmaal herontdekt in de vijftiende eeuw, zou deze groei hervatten waar hij twaalf eeuwen daarvoor was afgebroken.

Dit waren de ideeën die meer dan duizend jaar eerder onbeschroomd besproken werden in de lommerrijke tuinen van het oude Rome, en die we dank zij Poggio Bracciolini vandaag vanzelfsprekend vinden:

  • alles wat bestaat is gemaakt van onzichtbare deeltjes, en keert terug tot deze deeltjes wanneer het ophoudt te bestaan. Deze deeltjes zijn ondeelbaar en oneindig in aantal, bestaan eeuwig, zijn altijd in beweging, botsen tegen elkaar aan en brengen zo nieuwe vormen voort, die slecht een beperkte tijd bestaan. Er is een blijvend evenwicht tussen vorming en ontbinding, bestaan en niet-bestaan. De Harvard filosoof Santanyana noemde dit "de grootste gedachte ooit door mensen voortgebracht".
  • de elementaire deeltjes zijn oneindig in aantal maar hebben een beperkt aantal vormen, zoals het beperkte aantal letters van het alfabet eindeloos verschillende zinnen kunnen vormen.
  • ruimte en tijd zijn ongebonden. Er is geen begin, midden of einde. Tussen de elementaire deeltjes is er altijd leegte die beweging, waardoor alles doordringbaar is en verandering mogelijk is. Het hele universum bestaat slechts uit leegte en deeltjes.
  • het universum heeft geen schepper of ontwerper. De elementaire deeltjes zijn niet gemaakt en kunnen niet vernietigd worden. Er is geen doel of plan. Alles wat er is is de toevallig afbuigende beweging van de deeltjes die vormen voortbrengen. Deze afbuiging noemt Greenblatt in het Engels "swerve"; Lucretius spreekt in het Latijn van "declinatio", "inclinatio" of "clinamen". Ze is ook de bron van onze vrije wil, want we kunnen weerstand bieden aan druk.
  • de natuur experimenteert voortdurend. Alle leven ontstond in een lang proces van "trial and error". Dit proces bevat talrijke mislukte pogingen. De wereld is niet speciaal voor mensen gemaakt, en er is geen reden aan te nemen dat mensen altijd zullen bestaan. Er waren andere levensvormen voor wij bestonden, en er zullen er andere komen, als onze soort verdwenen is.
  • de menselijke samenleving begon niet met een gouden tijd of een aards paradijs, maar met een strijd om het bestaan. De eerste mensen, die niet over vuur beschikten, streden om te eten, en om niet gegeten te worden.
  • de ziel is gemaakt van bijzonder fijne deeltjes die over het ganse lichaam verdeeld zijn, en is, zoals alles, sterfelijk. Er is geen hiernamaals, en de dood betekent niets. Als de deeltjes die ons vormen uiteenvallen houden we op te bestaan, en dus eindigen genot en pijn, verlangen en angst.
  • religie is inbeelding, steunend op diepe verlangens en angsten. Zo worden we de slaven van onze onwetendheid. Religies beloven altijd hoop en liefde, maar hun diepste structuur is wreedheid, en de grootste wreedheid is het offer van een kind door zijn vader [Lucretius schreef in de eeuw voor het ontstaan van het christendom]. Er bestaan geen engelen, demonen of geesten.
  • het hoogste streven van het menselijk bestaan is de vermeerdering van geluk en de vermindering van lijden, voor zichzelf en voor andere medeschepselen. Alle andere streven - staatsdienst, verering van goden en koningen, zelfopoffering - zijn bijkomstigheden, dwaasheden of bedrog. Militarisme is pervers en onnatuurlijk. Zekerheid kan niet bekomen worden door winst en verovering. Menselijke noden zijn eenvoudig. Dit niet inzien leidt tot een strijd om steeds meer. Het grootste obstakel voor geluk is niet pijn, maar hersenschimmen. Mensen zijn ongelukkig omdat ze offers brengen aan hun verbeelding en streven naar de waan van onsterfelijkheid. Begrip van de natuur der dingen leidt tot verwondering, tevredenheid en geluk, en dit begrip van de natuur is bereikbaar voor elke mens.



Bronnen:
On the Nature of Things By Lucretius
The Swerve: How the Renaissance Began



Tags: ethiek, pacifisme, samenleving, seculariteit, wetenschap

Zie ook het archief