hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

Bronnen van kennis: de koloniale periode

9 april 2015


Rennell cartouche

I

n vorige blogs over de bronnen van onze kennis heb ik getracht aan te tonen dat doorheen de geschiedenis alle delen van de wereld aan vooruitgang hebben bijgedragen. Het boek dat hieronder besproken wordt heeft een ander vertrekpunt: het wil aantonen hoe de opbouw van de moderne wetenschap mede het werk was van niet-Europese intelligentsia.

§

Relocating Modern Science: Circulation and the Construction of Knowledge in South Asia and Europe, 1650-1900 van Kapil Raj beschrijft de samenwerking van westerse en niet-westerse geleerden doorheen de moderne - koloniale - periode. Raj betoogt dat de moderne wetenschap niet geïmporteerd werd in Zuid⁻Azië, maar werd geconstrueerd door de samenwerking van Aziaten en Europeanen.

Om deze zienswijze naar waarde te schatten, moet men beseffen dat het wetenschappelijk racisme dat eerst na de tweede wereldoorlog terrein verloor, aannam dat enkel de bevolking van Europa geletterd, intelligent en ondernemend was. De rest van de aarde was bevolkt met luie, vuile en bijgelovige hutbewoners, onbekwaam om landbouw, literatuur of kunst te bedrijven. Dit is, merkwaardig genoeg, een eerder recente opvatting. Naarmate Europa vorderde in het vernielen en onderwerpen van andere werelddelen, won ze aan geloofwaardigheid. Ze verdreef slechts langzaam het ontzag dat de indrukwekkende rijken van Azië, Amerika en Afrika hadden ingeboezemd. Onverholen bewondering voor de praal van exotische hofhoudingen moest veld ruimen voor de minachting van de veroveraar.

In werkelijkheid was de toestand omstreeks 1500 zowat dezelfde op alle werelddelen: de overgrote meerderheid van haar bevolkingen leefden in tribale of nog primitievere omstandigheden; daarnaast vond men hier en daar steden en koninkrijken, waar handelaren, ambtenaren, ambachtslui en intelligentsia samendrongen rond de paleizen. In Europa was het niet anders. Er is heel wat geschreven over waarom Europa later een brandpunt van rijkdom en ontwikkeling werd. Daarbij wordt steevast stilzwijgend aangenomen, dat dit een eindstand van de geschiedenis is. Tot ik een betere theorie tegenkom, houd ik het bij een geschiedenis waarin altijd andere centra tot ontwikkeling komen door toevallig ontdekte middelen en daarop volgende contingentie, tot de middelen zijn opgebruikt en de fakkel dooft. Dit keer is het gewoon de beurt aan Europa, dat is alles. De geschiedenis wijst geen duidelijke oorzaak aan, maar laat er geen twijfel over dat rijken hun verval in zich dragen. Lucretius wist dat toen hij rijken vergeleek met estafettelopers die uitgeput de stok doorgeven, en nog veel eerder schetste het Gilgamesh-epos een Hades waar gouden kronen in het stof op een hoop gegooid zijn.

Relocating Modern Science In zijn bestseller uit 1998 The Wealth and Poverty of Nations schreef David Landes nog:
Het overgrote deel van de moderne wetenschap was door Europa voortgebracht, in het bijzonder de doorbraak van de zeventiende en achttiende eeuw die we "de wetenschappelijke revolutie" noemen. Niet enkel bracht niet-westerse wetenschap hoegenaamd niets bij (al was er meer dan de Europeanen wisten), maar op dat punt aangekomen was ze ongeschikt om deel te nemen, zo ver was ze achterop geraakt of had ze de foute weg ingeslagen.

Dat neo-conservatieve standpunt verliest snel veld, zoals Ian Barrow schrijft in een bespreking van Relocating Modern Science in Oxford Journals (2009):

Een van de interessante nieuwe ontwikkelingen in de geschiedschrijving van de moderne wetenschap is dat het beeld verlaten wordt dat Europa en de Verenigde Staten de smeltkroes van de wetenschap zijn. Steeds meer betwijfelen historici de theorie dat wetenschap tot stand kwam in het Westen, en daarna, gedurende de koloniale periode, verspreid werd over andere delen van de wereld. Bijgevolg breidt het debat zich uit tussen degenen die de wetenschap zien als een van de efficiënte gereedschappen van de koloniale staat, en daarbij de onderworpenen beschouwen als instrumenten of patiënten, onbekwaam om zelfstandig te handelen of te denken, tot degenen die uitgebreid bewijs zien voor samenwerking bij de ontwikkeling van de wetenschap in de kolonies.

Het is op dit punt dat Kapil Raj een interessante bijdrage levert. Hij onderzoekt acht wetenschappelijke projecten in Azië, en toont aan dat ze steunden op samenwerking tussen lokale en Europese intelligentsia. Ik bespreek er hier twee van: een botanisch, en een cartografisch project.

In het Muséum National d'Histoire Naturelle in Parijs bevindt zich een manuscript van een kruidenboek in 14 foliovolumes, met afbeeldingen van meer dan zevenhonderd exotische planten met aanwijzingen voor medisch en economisch gebruik. Het voorblad is afgebeeld op het boek van Raj. Volgens het voorwoord is het kruidenboek vertaald uit het Oryia, een van de Indische talen, in het Frans. De titel van het werk luidt Jardin de Lorixa wat "flora van Orissa" betekent.

Kapil Raj identificeerde de auteur van de vertaling als zekere L'Empereur, een chirurgijn van de Compagnie des Indes Orientales, het Franse jongere broertje van de Nederlandse, Engelse en Portugese "Compagnies". De jacht op geneesmiddelen was van het grootste belang: meer dan één vierde van alle opvarenden van de Franse Compagnie stierf onderweg door ziekte. Na een epidemie in 1698 in de Golf van Bengalen, waarbij 600 Fransen omkwamen binnen enkele dagen tijds - verplegers en chirurgijns inbegrepen -vatte L'Empereur zijn plan op:

alle medicinale boeken van de Indiërs op te kopen en uit te zoeken hoe ze die gebruiken. Ik neem me voor die in het Frans te vertalen zodat we alle remedies kennen, groot en klein, die tot nu onbekend waren bij de Europeanen.

Om dit plan uit te voeren moest hij Hindoestaans leren en het vertrouwen winnen van ontoegankelijke fakirs. Het hoogseizoen was de winter, wanneer fakirs van heinde en verre naar de Ganges kwamen om te baden. L'Empereur was natuurlijk niet de eerste met zo'n plan: de Portugezen hadden al in de zestiende eeuw pogingen gewaagd, en de Nederlander Hendrik Van Reede tot Drakenstein had omstreeks 1670 opdracht gegeven tot het samenstellen van een gigantische flora van Malabar, waar hij commandant was en kon rekenen op de steun van de Raja van Cochin. Niet enkel moesten Europeanen zich inwerken in gespecialiseerde lokale netwerken, schrijft Raj, ze moesten de bemachtigde kennis ook beschermen tegen de ijverzucht van andere Europeanen. Zo wist de jezuïet Guy Tachard gegevens te ontfutselen van Hendrik Claudius, die in dienst was van Van Reede. Tachard publiceerde de gegevens in zijn eigen memoires, en Claudius werd eerloos ontslagen en verbannen.

Het tweede project dat ik wil aanstippen is de cartografie van India. Mattthew Edney noemde het landmeten en het tekenen van kaarten in zijn boek Mapping an Empire(1997) een Brits meesterschap dat de mystieke, religieuze ruimte van de Hindoes veranderde in een rationele, wetenschappelijke en empirische ruimtelijke structuur. Hierop reageert Raj:

Deze opvatting over het landmeten, en meer in het algemeen over moderne wetenschap als rationaliteit opgelegd aan de niet-westerse wereld keert terug in tal van recente post-koloniale werken, vooral wat betreft het Indisch subcontinent. Volgens deze zienswijze is de verspreiding van westerse wetenschap verwezenlijkt door middel van dikwijls gewelddadig opdringen van 'rationele' praktijken aan 'anders wetenschappelijke' culturen. Toch worden in deze werken de veronderstelde 'anders wetenschappelijke' praktijken, de structuren waarin ze opgenomen zijn, hun geschiedenis en confrontatie met de westerse wetenschap zelden onderzocht.

Er was weinig verschil tussen de Indische en de Britse geografie. Reeds omstreeks het jaar 1000 lieten Indische heersers het land dat bewerkt werd zorgvuldig opmeten. In tegenstelling tot de onmisbare zeekaarten, waren landkaarten nog nergens ingeburgerd. In Europa en elders volstonden lokale overzichten en lijsten van plaatsen, met hun begrenzingen en afstanden. Vanaf omstreeks 1300 werd het astrolabium, een instrument uit de zeevaart, in Azië ook gebruikt bij landmeting.

Azië was dus alles behalve een "tabula rasa". Toen de Britse majoor James Rennell omstreeks 1780 het plan opvatte om het hele subcontinent in kaart te brengen, moest hij zich enkel verzekeren van de medewerking van Indische specialisten. Dat wordt ook helder geïllustreerd door de cartouche die prijkt op de eerste uitgave van de Map of Hindoostan (zie afbeelding). In de cartouche schenkt een brahmaan zijn geheime manuscripten aan het ietwat protserige Britse Imperium, en andere brahmanen staan nederig te wachten om hetzelfde te doen. Dit beeld spreekt niet enkel over Indië of de Britten. Het vat de hele koloniale periode samen. De buit bestond niet enkel uit zilver en zijde: ze omvatte, net zoals ten tijde van Alexander en Aristoteles, ook kennis.




Bronnen:
Relocating Modern Science: Circulation and the Construction of Knowledge in South Asia and Europe, 1650-1900 (Kapil Raj)
Review of Relocating Modern Science the in Oxford Journals (Ian Barrow)
Review of The Wealth and Poverty of Nations (Andre Gunder Frank)



Tags: actueel, ethiek, samenleving, wetenschap

Zie ook het archief