hoofdmenu
Sigers Weblog

none yet

De limieten van de markt - de slinger tussen overheid en kapitalisme (Paul De Grauwe)

19 augustus 2016


Paul De Grauwe

P

aul De Grauwe is een internationaal vermaard topeconoom en docent aan de London School of Economics. In "De Limieten van de Markt - de slinger tussen overheid en kapitalisme" werpt hij een helder licht op ons marktsysteem, hoe het werkt, en onder welke voorwaarden het stopt met werken. Zijn conclusies verschillen nogal van wat pers, politiek en bedrijfsleven beweren wanneer ze ondernemers opvoeren als economische deskundigen.

§

Nergens in de echte wereld, schrijft De Grauwe, zien we zuivere marktsystemen of zuivere centraal geplande systemen die werken. Geen van beide is alleen bij machte materiële welvaart te creëren voor de hele bevolking, of zelfs voor een groot deel ervan. De oude discussie tussen 'markt of staat' is achterhaald. Beide zijn nodig om welvaart te brengen. Er zal altijd een mix moeten zijn. De Grauwe schrijft:

Er zijn momenten in mijn leven geweest dat ik sterk geloofde dat de markt een oplossing kon bieden voor de meeste economische problemen, en dat de overheid een minimale rol moet spelen. Ik ben daarvan teruggekomen. Ik denk dat ik vandaag de dag minder ideologisch ingesteld ben en meer pragmatisch denk over de rol die markt en overheid moeten vervullen. Pragmatisme stelt ons ook beter in staat om objectief na te denken over de steeds veranderende rol die markt en overheid moeten vervullen.

Die mix tussen markt en overheid is onstabiel en dynamisch. De laatste decennia groeide de markt aan belang. Gedurende andere periodes werd de overheid dominanter. Een historisch schema zou er als volgt kunnen uitzien:

  • Gedurende de 19e eeuw groeide het belang van de markt. De Europese landen zagen hun binnenlands productie (bbp) vervijfvoudigen. De groei stortte in na de Eerste Wereldoorlog en gedurende de daaropvolgende crisis.
  • Na de Grote Depressie (jaren 1930) daalde de materiële welvaart op dramatische wijze. Het geloof in geleide economieën steeg. In de tweede helft van de 20ste eeuw verdubbelden de overheidsuitgaven van de OESO-landen (in %bbp).
  • Vanaf de jaren 1970 botsten de door de overheid geleide economieën op hun grenzen. Technische vernieuwing en welvaart bleven uit. Genationaliseerde bedrijven leden grote verliezen. De oorzaak lag in het ontbreken van informatie, bijvoorbeeld over de consumptieverwachtingen. Bovendien ontbrak het in een strak geregeld systeem aan creatieve prikkels.
  • Het gevolg was een nieuwe liberaliseringsgolf, privatiseringen, wereldhandel. Zelfs onderwijs en de culturele sector ontsnapten er niet aan. Door outsourcing werden bedrijven zelf marktwaren. Ook de Sovjet-Unie en China schakelden naar de vrije markt. In Oost-Azië groeiden de economieën elk jaar met 10%.
  • Daarop volgde de crisis van 2008.

Er blijken grenzen te zijn aan zowel de mogelijkheden van de overheid als aan de mogelijkheden van de markt. Deze grenzen worden altijd weer afgetast, zodat er een slingerbeweging ontstaat. De Grauwe bespreekt deze grenzen.

De limieten van de markt

De som van het eigenbelang van miljoenen individuen is niet altijd gelijk aan het belang van allen, zoals de marktdenkers beweerden. De Grauwe maakt een onderscheid tussen externe en interne limieten van de markt.

Een eerste externe limiet is de vernietiging het milieu. Het kapitalisme beschikt niet over ingebouwde mechanismen om groei ten koste van het milieu tijdig te stoppen, laat staan te voorkomen: alleen een overheid kan de milieukosten gemaakt door de hele economie verrekenen en verdelen. Een tweede limiet is de onstabiliteit van de financiële markten, enerzijds als gevolg van het kuddegedrag van aandeelhouders, en anderzijds van banken die in moeilijkheden kunnen raken en andere banken meesleuren in een neerwaartse spiraal. Een derde limiet is de teloorgang van publieke goederen (infrastructuur zoals wegen). Telkens de markt groeit blijken publieke goederen in de verdrukking te komen.

Dan zijn er nog drie interne limieten van de markt, meent De Grauwe. De optimistische klassieke theorie zegt dat de markt er vanzelf voor zorgt (als met een onzichtbare hand, schreef Adam Smith) dat vraag en aanbod een evenwicht zoeken waarbij ieder krijgt wat die wil aan de juiste prijs. Dit werkt echter niet altijd: niet iedereen die wil betalen, kan dat ook.

De Grauwe verwijst hier naar het werk van psycholoog Kahneman en neuroloog Damasio. Beide hebben onderzoek gedaan naar de emotionele component in het menselijk doen en denken, en er op gewezen dat het individu niet louter een "homo economicus" - de rational agent van de klassieke economen - is. Daardoor zijn de consument en de markt lang niet zo berekenbaar als Adam Smith meende. De wet van vraag en aanbod is betrekkelijk - anders zou er niet zoveel reclame gemaakt hoeven worden. Een van de emoties die roet in het eten gooien is billijkheid: de samenleving verzet zich als zij die niet kunnen werken uit de boot vallen. Als er 100 mensen een brood willen, maar de helft daarvan heeft geen geld om brood te kopen, zal aan de echte vraag niet voldaan worden: de wet van vraag en aanbod zal tot een broodprijs leiden waardoor 50 mensen niets te eten hebben. Dit noemt De Grauwe de eerste interne limiet van de markt. De tweede limiet is hoe werknemers gemotiveerd worden. Er is intrinsieke motivatie, bijvoorbeeld wanneer iemand tevreden is over eigen werk, en extrinsieke motivatie: dat is wat uitbetaald wordt. In een marktsituatie gaan de twee samen, maar bij groei van de markt wordt de financiële (extrinsieke) motivatie steeds belangrijker. De Grauwe verwijst hier naar het werk van Harvard filosoof Michael Sandel, die vaststelde dat veel mensen die voordien bereid waren gratis bloed te geven (met de intrinsieke motivatie iets goeds te doen) afhaakten nadat het marktmechanisme werd ingevoerd en mensen hun bloed kwamen verkopen in plaats van 'geven'. Blijkbaar corrumpeert externe motivatie soms de intrinsieke motivatie. Dit probleem kan belangrijk worden bij beursgenoteerde bedrijven waar alles om kwartalen en snelle winsten draait, en ontslagen altijd in de lucht hangen, terwijl de top buitenmatig vergoed wordt. Een laatste interne limiet is de tegenstelling tussen samenwerking en concurrentie. Mensen waren al sociale dieren voor ze konden spreken. Samenwerken is onze aard. Deze samenwerking komt aan bod binnen ondernemingen, maar wordt in de markt een niets ontziende concurrentie tussen ondernemingen.

In hoofdstuk 5 maakt De Grauwe komaf met de utopie van zelfregulering in het marktsysteem. Hij schrijft:

Dat idee (zelfregulering) heeft sinds de financiële crisis veel van zijn luister verloren, maar blijft populair bij marktfundamentalisten. Deze stellen dat het zelfregulerend karakter ervoor zal zorgen dat het marktsysteem een stabiel evenwicht vindt.

Dit gelooft De Grauwe niet meer. Sommige goederen zijn on(ver)deelbaar, denk maar aan schone lucht, en die hebben nood aan een gemeenschappelijk beheer van buiten de markt.

Terwijl lang verdedigd werd dat de markt de inkomens afvlakt (de zogenaamde Kuznets-curve) hebben economen vandaag (Atkinson, Piketty, Saens) het tegengestelde aangetoond. De inkomensongelijkheid is sinds de jaren 1980 toegenomen.

De markt reguleert zichzelf dus niet. Bepaalde tussenkomsten van een overheid zijn onvermijdelijk om haar te beschermen tegen catastrofes wanneer haar limieten bereikt worden.

De limieten van de politiek

Net als bij de markt ziet De Grauwe externe en interne limieten van de overheid. Tot de interne rekent hij 'crony-capitalism', dat is de toestand waarbij een kleine welgestelde minderheid de politieke agenda bepaalt door een of andere vorm van omkoping. Daarnaast is er de weerstand tegen belastingen en controles die noodzakelijk zijn voor het gevoel van sociale billijkheid en voor het beheer van het publieke goed.

Een externe limiet is de mogelijke verwerping door de bevolking van overdreven ingrijpen.

De Grauwe pleit voor een samengaan van markt en politiek, omdat telkens wanneer een van beide de overhand neemt dit tot catastrofes leidt. Het is geen zinnige vraag of de staat ofwel de markt de overhand moet hebben. De enige zinnige vraag is de taakverdeling:

Als de overheid er niet in slaagt de externe kosten die door de marktactiviteiten worden gegenereerd, te laten betalen door diegenen die deze kosten hebben gegenereerd, dan komt het marktsysteem op een bepaald moment tot zijn einde. Op dezelfde wijze kunnen we concluderen dat een overheid die er niet in slaagt essentiële publieke goederen zoals infrastructuur, orde en veiligheid en onderwijs tot stand te brengen, ze het marktsysteem naar de ondergang zal leiden.

Neem bijvoorbeeld de hoge loonkosten. De traditionele analyse zegt dat ze het gevolg zijn van hoge 'lasten' zoals belastingen en bijdragen aan de sociale zekerheid. Daarbij zegt men dat de overheid 'teert' op de productieve ondernemingen, en hun concurrentievermogen 'ondermijnt'. Dus moeten deze lasten omlaag om de economie te redden.

Maar, zegt De Grauwe, hoge loonkosten kunnen ook andersom bekeken worden, namelijk als het resultaat van hoge productiviteit. De technologische vooruitgang laat toe met steeds minder mensen meer te produceren. Vandaag produceert een arbeider het dubbele van dertig jaar geleden. Hoge lonen zijn dan niet de oorzaak van de uitstoot van banen, ze zijn het gevolg van de groeiende productiviteit. Uiteraard zouden werkgevers graag de lonen drukken, maar de Scandinavische landen horen ondanks de hoge lonen tot de meest competitieve van de wereld. Hij besluit:

De aanvallen op de hoge loonkosten zijn dus ook aanvallen op de correcties die door de overheid in de loop der jaren aan het marktssysteem zijn aangebracht. Als die aanvallen succes hebben, zullen ze zich als een boemerang keren tegen degenen die ze hebben ingezet. Paradoxaal genoeg zijn dat ook degenen die het marktsysteem verdedigen.

Na de invoering van de Euro in 1999 werd het voor de nationale overheden veel moeilijker om het marktsysteem te stabiliseren. De minst fortuinlijke landen stonden machteloos tegenover speculanten: de financiële markten kunnen elk land in de eurozone tot een faillissement drijven:

De eurozone heeft dus en structureel probleem. Ze heeft de nationale overheden ernstig verzwakt ten opzichte van de financiële markten. Dit leidt tot een gevaarlijke suprematie van deze laatste, die op de duur de sociale consensus over de voordelen van een marktsysteem ondermijnt. Het kapitalisme dreigt razendsnel op zijn limieten te stuiten...

Een voorsmaakje kregen we met de financiële crisis van 2008. De meeste overheden konden een depressie als die van 1929 vermijden door massaal geld te pompen in hun economieën. De staat was de redder van de markt. De eurozone heeft zich echter minder goed hersteld. De afwezigheid van centrale banken die de nationale regeringen ondersteunden, leidde tot paniek op markten van staatsobligaties en dwong de regeringen overdreven harde bezuinigingen door te voeren. Bijgevolg daalde de vraag naar goederen en diensten, wat de overheidsinkomsten opnieuw omlaag drukte. In het zuiden stegen de werkloosheidscijfers tot boven de 30%, terwijl er nog decennia harde bezuinigingen zullen volgen. De kans is reëel dat in die landen de vrije markt verworpen zal worden.

De eurozone en het marktsysteem kunnen slechts gered worden als de Europese Centrale Bank (ECB) de nationale overheden onvoorwaardelijk steunt, en als een centrale Europese overheid de verantwoordelijkheden van verzwakte landen overneemt.

Professor De Grauwe volgt de Franse econoom Piketty in zijn pessimistische toekomstverwachting. Het marktsysteem zal op zijn grenzen stuiten, tenzij - misschien - aan twee voorwaarden voldaan wordt. De eerste voorwaarde is dat de democratieën alles in het werk stellen om de lagere inkomens leefbaar te houden en het milieu te beschermen. De tweede voorwaarde is dat er internationale samenwerking ontstaat om de klimaatproblemen te bestrijden en de grote vermogens te belasten.

De democratie is een systeem om het marktsysteem te beschermen tegen zichzelf.

Bronnen:
De limieten van de markt - de slinger tussen overheid en kapitalisme - Paul De Grauwe



Tags: actueel, ethiek, samenleving, wetenschap

Zie ook het archief